Diepgang

We liggen alweer een halve dag voor de wal te wachten. De sluis voor ons heeft het af laten weten, de deur kan niet volledig open. Er zit niets anders op dan geduldig te wachten. In de verte is een duiker in de kolk afgedaald. Even later wordt duidelijk wat er speelt. Druipend hangt een metalen prullenbak –bekend van straten en pleinen- in het kraantje achterop de auto van het sluisbeheer.
Wat vergeten weggestopt tussen Schelde en Deule, ooit bedoeld voor het transport van kolen vanuit de Pas de Calais en het verdedigen van de stad Lille tegen vreemde overheersers kronkelen het Spierekanaal en het Canal de Roubaix. Geld en een toeristisch impuls zetten het kanaal begin deze eeuw weer in de aandacht. Een grootse investering –Europa- maakten de sluizen weer gangbaar, zorgde ervoor dat kanalen werden uitgediept. Jaarlijks passeren in het zomerseizoen zo’n 50 boten. Eigenlijk te weinig er gaan alweer stemmen op het kanaal te sluiten.
Het is feitelijk nauwelijks een uitdaging. Met een kanaaldiepte van 1.80 hebben we met een diepgang van minder dan een meter weinig te vrezen. Zeker in het voorjaar als de planten in het heldere water nog niet aan hun groei begonnen zijn.
Met een blik op de dieptemeter en een blik op de wal kronkelen we ons door het midden van de rivier van sluis naar sluis. Op wat industriële armoede en de onvermijdelijke achtertuin van de grote stad na, is het landschap mooi en kleinschalig.
Een rauwe tik –metaal op metaal- schrikt me op. De diepte meter zegt 1.90. Daar gaat mijn zo zorgvuldig aangebrachte laag verf op de kielbalk. Af en toe gebeurt het, altijd onverwachts, een vuilnisbak, een winkelwagentje, een staalkabel of een oude fiets. Hoe zorgvuldig je ook plant, onverwacht tikje toch regelmatig wat aan; is de gegarandeerde diepgang ineens een stuk minder gegarandeerd.
Werk aan de winkel volgend voorjaar, een nieuw likje verf op de kielbalk. Er zullen er nog wel wat volgen dit jaar.

Groet

Een simpel gebaar; even een hand opsteken, soms nauwelijks meer dan een paar vingers. Een groet van gelijkgestemden, een anonieme blijk van herkenning. Het is als de motorrijders die op een mooie lente dag elkaar tegenkomend even een hand op steken.

Al van ouds her is het een gebaar van verstokte zeilers op het binnenwater; een gemeende groet “plezier verder op!”

Het is nog vroeg in het jaar, de eerste boten zijn nog maar nauwelijks in het water. Achter glas in de kuip van de motorboot  is het in het bleke zonnetje goed toeven. De moterkachel staat zacht bij en houdt het comfortabel. Af en toe passeer ik een medestander, een simpele groet bevestigt onze erkenning van elkaar.

Mijn weg kruist een paar keer de route van fervente zeilers, op weg, nog met de mast plat, van hun winterstek in Brabant naar hun zomerse Zeeuwse thuis. Op weg naar de kraan die hun comfortabele doorvaarhoogte weer op doet veren naar “Staande Mast”.  Ik bewonder ze, weg gedoken bij het roer in hun duffelse jas. Gewoontegetrouw steek ik mijn hand op. Vrijwel alle keren, opvallend genoeg, blijft hun reactie uit.

Zeilers groeten kennelijk geen motorbootvaarders; mijn plaats is meteen weer bepaald.

Kruisje

“Een kruisje op de kaart”; een van de korte verhalen in het boek dat over een aantal maanden in de winkels zal liggen. 100 bijzondere –soms zenuwslopende- momenten op onze wereldreis. Maanden geleden zetten we een kruisje in de agenda; de dag na Pasen, ook een gok.

Het is wat ongewis dat “Kruisjes” zetten. Een sprong in het diepe zonder te weten hoe je landt. Of het nu een koers is naar een gebied waar je hooguit een A4 kopietje hebt van een grove kaart ter grootte van Nederland, of een datum prikken 6 maanden verderop zonder het weerbericht te kennen, het blijft een risico.

Zul je altijd zien, begint de maand met stralend mooi weer –ver boven het gemiddelde voor deze maand- , tegen de tijd dat we los gooien zijn de weersverwachtingen behoorlijk onderkoeld, ver onder de normen en waarden voor de maand.

Voorraden aan boord, onderwaterschip glad, motor een laatste beurt, veel warme truien en bikini’s; check, check, check.

De komende maanden trekken we door Europa. Pendelend tussen het werk thuis en het werk aan boord, gaan we op weg voor veel kilometers –lopen, varen en fietsen-, veel bloggen voor “Motorboot” en veel corrigeren in de laatste versie van het manuscript, veel indrukken voor….

Vliegende vaart …

Het is al weer tien jaar geleden dat ze voor het eerst op het water verschenen; de Flying Bridge op een zeilboot. Nou ja, een kajuitcatamaran. Het ultieme gevoel dat je net als een open jol zeiler moet bukken als de giek overkomt.  Eigenlijk ben ik ze op “betaalbare” boten nauwelijks meer tegengekomen, alleen maar als chartercatamaran in de Pacific en op de Med. Gewoon een kwestie van nog meer mensen, nog meer vierkante meters, nog meer bedden in een boot kunnen proppen.  Ik zie het al voor me, terwijl onder je tijdens het varen het buffet wordt klaar gezet, lekker boven met de wind in je haren wat spelen met je stuurwiel. Of je daar nu lekker met je gennaker mee kunt zeilen weet ik niet, het is in elk geval een geruststelling dat de gedekte tafel onder je gewoon rechtop blijft staan. Ruimte alsof je het dak van je camper gebruikt om te recreëren.

Een paar weken geleden kwam ik in een van de Facebookgroepen een fanatieke discussie tegen over de plussen en minnen van de flying bridge. De voors en tegens vlogen in het rond. Het krachtigste argument, ik zou het niet hebben bedacht, was toch wel dat je als stuurman bijna je nek breekt als je in vliegende vaart bij het aanleggen van de trap af moet sprinten als de bemanning –natuurlijk- het aanleggen weer eens verknalt.

, ik heb altijd gedacht dat aanleggen de taak van de stuurman was; gewoon, netjes voor de wal, zodat de bemanning vanaf het dek rustig en eenvoudig de lijntjes kan doen. Zou wat worden als de captain van een 747 kort na aankomst zich in vliegende vaart langs de vleugel omlaag moet laten glijden om snel de blokken voor de wielen te leggen en daarna de slurf nog te doen.

Dunnetjes

Het gaat volgens mij nog niet goed in de bootjes wereld. De winkel waar ik al jaren kom –zo’n droompaleis op een industriële locatie- is welleswaar in de loop van de tijd in meters gegroeid, maar inmiddels in aanbod en mogelijkheden behoorlijk versmald.

Ooit een scherpe inkoper met een aantrekkelijk prijsvoordeel is het inmiddels allang geen prijsvechter meer, schaalvoordelen bij inkoop worden niet zichtbaar meer naar de klant vertaald. Dankzij de zegeningen van het webwinkelen lukt het doorgaans om voor de meeste artikelen zomaar een meer betaalbaar alternatief te vinden.

Het verbaasde me al een tijdje dat de elektradraden die ik bij hen koop tegenwoordig –ook qua kern- zo dun beginnen te worden. Ik schrijf ze er tweemaal over maar krijg geen enkele reactie terug. Laatst was ik er en nam meteen de proef op de som; helaas, of inderdaad, de draad is net zo dik –qua kern en mantel-  als de dunnere voor de helft van die prijs.

Als ik de verkoper spreek, is hij verbaasd; nog nooit van gehoord.

Maar, vertrouwt hij me toe, als ik hem wijs op het risico van de te dunnere draad bij belasten met een maximaal verantwoord vermogen, je moet ook altijd de draad een maat dikker nemen dan in de installatie instructies staat.

Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Dat wordt wat voortaan op het water; twee reddingvesten over elkaar, de hoosemmer dubbel nemen, in ieder hand een, twee paar bootschoenen of gewoon, twee kompassen boven op het kajuitdak gezet. Zou een geaard stopcontact bij hem thuis met zes draden verbonden zijn?

Goed voor de omzet, alleen qua redenering, wat mij betreft wat aan de magere kant.

Gastvrij

Onze laatste weken in de “3000” kilometer rondreis dit jaar. Zuidoost Groningen, midden september, nazomer. Het is rustig op het water, maar een enkele boot waagt zich nog in de lome wateren van de Veenkoloniën. De doorvaart door de honderden bruggetjes wordt geregeld door middel van ”konvooivaart”; een brug/sluiswachter rijdt het hele kanaal met je mee.

Met linnentasjes vol informatie staat de dienstdoende wachter ons al op te wachten. Hij is zorgzaam. Voorzien van stroom, water en een sleutel voor de douches laat hij ons achter, klaar voor het grote konvooi de volgende dag. We krijgen zijn “06”nummer voor het geval er iets loos is.

De volgende dag, ons afvalzakje wordt door hem nog even afgevoerd, staat hij al weer vroeg klaar om ons te helpen.

2 uur later en enkele tientallen bruggen verder zit zijn taak er al weer op. We worden overgedragen aan de volgende wachters op het traject. Als de laatste sluis ons uitspuugt kunnen we gaan, we zijn de enige. “Vaar maar stevig door, jullie worden om 10.30 bij de volgende brug verderop verwacht”.

De daad bij het woord voegend zetten we er onverantwoord de sokken in. 9-10 kilometer per uur terwijl de roeibootjes “spreekwoordelijk” de kant opstuiven en het riet heeeeeel diep voor ons buigt leggen we het traject af. De boot zuigt zich vast aan de kanaalbodem, wat er ook aan gas bij komt, sneller lukt echt niet.

Onverantwoord! Wetend van de toegestane snelheid in dit kanaal nemen we al snel gas terug. De natuur en de Ommelanden zijn ons toch meer lief dan deze absurde vaaraanwijzing.

Als we om 10.35 –vijf minuten te laat- bij de bedoelde brug aan komen staat de lokale ambtenaar/brug en sluiswachter al voor ons klaar. De brug blijft dicht. Met wilde handgebaren worden we naar de kant gedirigeerd. Driftig op zijn horloge tikkend krijgen we een preek; “te laat, blijf maar liggen tot het volgende konvooi –na het weekend- en anders bel je m’n baas maar.

De baas is kennelijk iets minder streperig en stelt vast dat er toch gewoon gevaren moet worden. Anderhalf uur later liggen we midden in de stad aan het kanaal op onze plek voor het weekend. We hebben geluk, markt en winkels –voor zover nodig- liggen dichtbij.

Een andere ontvangst dan de linnentasjes van gistermiddag. Kennelijk wordt gastvrijheid binnen de Veenkoloniën wat wisselend ingevuld.

Pittig …

Platsjjj; plop, plop plop.

Kom ik hier nu nooit vanaf?  Heel voorzichtig draai ik het laatste schroefje los. Met een schroevendraaier wurm ik de rubber membraam iets opzij. Voor ik het weet is het al gebeurd. Gelukkig redt de hoosemmer me.

De zee van ruimte die de motorruimte me gaf, is inmiddels gevuld met al die dingen die ik als zeiler ooit dacht nodig te hebben aan boord. Ik heb geluk, zelfs met een emmer tussen mijn benen is er nog altijd voldoende ruimte voor mij en mijn gereedschapsbak. Traag druppelt de toiletpomp zijn laatste inhoud in de emmer.

Als er iets is dat ik hoopte achter me te kunnen laten bij onze sprong aan boord van de Scalare, is dat toch wel de jaarlijkse reparatieslag in het toiletcompartiment. Al ver voor onze tocht over de wereldzeeën, eiste de toilet jaarlijkse aandacht op. Je wordt er ervaren in. Op het laatst kon ik het zelfs nog onder helling nog doen.

Vol enthousiasme prijst de leverancier het elektrisch toilet bij ons aan boord. Er gaat een wereld voor ons open. “gaat nooit stuk” vermeldt hij erbij. Ook voor de pomp van de vuilwaterafvoer –voor buitenlands gebruik als de tank vol zit en er geen “afzuigpunt” in velden of wegen te bekennen is- neem ik nog geen reserve onderdelen mee. Wat naïef, dat geef ik toe.

Heel voorzichtig peuter ik de ongerechtigheden uit de kleppen van onze vuilwater pomp. De derde keer al deze week. De pomp trekt geen vacuüm meer. Met een pincet probeer ik na te gaan wat er nu weer de kleppen aan beide zijden van de pomp beleeft open houdt.

Gezondheidsbewust als we zijn vullen we onze eigen gemaakte muesli met noten en pitten aan. Kilo’s hebben we er van aan boord gebracht.

Tussen de puntjes van mijn pincet steekt een venijnige pit. Precies, net zo een als ik dagen geleden al aan ons ontbijt mengsel heb toegevoegd. De pitten die me ook nu weer dwingen tot arbeid in de ingewanden van ons nieuw verworden bezit.

Nee, qua toilet techniek ben ik er nog niet veel mee opgeschoten. Het enige verschil is dat het ontstoppen niet meer onder helling hoeft.

 

Kun je even …

Voor me ligt een bebaarde oudere stuurman in de sluis. We hebben er de komende dagen nog een flink aantal te doen; stevige sluizen met een verval van soms meer dan 3 meter, hoewel kort 38,50 meter, nog altijd zo’n 583 kuub water, 2500 ligbaden per keer.

Bijna 190 sluizen telt het kanaal dat we varen. De sluismeester stelt het op prijs als u mee helpt bij het schutten; althans volgens de gids. Rondom het schutten heb ik toch niets omhanden, dus een beetje lichaamsbeweging kan geen kwaad. Even helpen een deur dicht of open te doen, de schuiven in de deur te bedienen terwijl de sluismeester de tegenoverliggende deur bedient, is dan een kleine moeite. Gestoken in een fluorroze shirtje ontgaat de stuurman voor me in de sluis mijn bijdrage in elk geval niet; het oog wil toch ook wat.

Eenmaal aangelegd doe ik alvast de deur dicht aan mijn kant van de sluis. De sluismeester laat nog op zich wachten. Deze zaterdag is hij verantwoordelijk voor een aantal sluizen achter elkaar en hij is waarschijnlijk nog bezig op een andere sluis.

De stuurman wordt ongeduldig en drukt af en toe op de toeter. Ik laat hem maar en wacht geduldig af.

Plots, als ik even mijn hoofd naar buiten steek, spreekt de hij mij aan. Kun je ook de andere sluisdeur dicht doen en beginnen met schutten?

Hij is verbaasd als ik zijn verzoek naast me neerleg. Helpen is toch iets anders dan de verantwoordelijkheid nemen voor die 2500 ligbaden waterval. Apart volk toch af en toe, die oudere bootjes mensen. 

Tunnelvisie

Ik zie maar één ding; de halve boog licht, nauwelijks een puntje ver voor me uit. Strak gericht kijk ik met één oog naar het punt op de reling naast me. Ik heb mezelf een strikte order meegegeven; wat er ook gebeurt, dat punt moet blijven rusten op de langzaam langskomende balk vijftig centimeter naast me op de wand.

Het kanaalgidsje zegt dat ik de balk nog meer dan twee kilometer strak –op vijftigcentimeter- aan stuurboord moet houden. Ik moet rechtdoor blijven sturen. Ooit was het een methode van de politie om de staat van dronkenschap te bepalen, vragen aan de verdachte om een paar meter in een rechte lijn te lopen. Moeilijk? Ja, weet ik uit ervaring. Zelfs als je broodnuchter bent.

Een van de vernuftige vindingen in het 19e eeuwse Franse kanaal”bouwen” is het overbruggen van bergruggen in het landschap door het kanaal niet over de berg, maar door de berg te leiden. Een variant op het Engelse kinderrijmpje “Going on a bearhunt – We can’t go over it. We can’t go under it. We’ve got to go through” De Franse gingen duidelijk “through”; liefst zo small en zo donker mogelijk.

Als ik één ding nooit geleerd heb in mijn vaarcarrière is dat toch wel tunnelvaren.

Gelukkig staan ze op de kaart goed aangegeven. Je weet in elk geval waar je aan toe bent; aan het eind ligt een lolly.

Ik ben niet claustrofobisch, maar je zou het bijna worden. Vond ik de Franse Rhônesluizen al imposant als je van “beneden naar boven” werd geschut en zo’n twintig meter hoge grafkelder in voer; dit is zo mogelijk nog beangstigender.

Stap voor stap vaar ik de tunnel in, het klamme zweet telkens weer afvegend aan mijn broek. Eenmaal gewend aan het duister neem ik ook de uitgang al weer waar. Als een lolly die gloort aan de horizon. Minuten kruipen voort, net als de meters. Een schril alarm vertelt dat ook de laatste signalen uit de buitenwereld –gps en AIS- wegvallen. Het klammig vocht druppelt gestaag naar beneden vanaf het plafond –moet ik nu met de ruitenwissers “aan” door een tunnel varen?

Pas minuten later begint het halve rondje in omvang te groeien, komt het einde wat naderbij. Gespannen houd ik mijn afstand tot de wand vast; ik tel de tijd af.

Dan ook groeit de verleiding, neemt het lef toe om de snelheid te verhogen, geeft de omvang van de “halve maan van licht” voor me vertrouwen.

Ik geef gas; mijn lolly is verdiend.

Ketelbinkie

“Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de Edam een oude schuit, met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in ’t vooruit…” Een oud zeemansliedje, nog altijd populair voor Shantykoren. Bijna was het bewaarheid.

Het is nog vroeg in het seizoen. Op allerlei plaatsen waar we aankomen zijn we de eerste van het jaar, zit de wateraansluiting nog dik –vorstbestendig- ingepakt, is de elektra nog niet aangesloten. Een geluk bij dit al, de vuilnisbakken zijn nog leeg; hoewel af en toe is zelfs de regelmatige vuilophaal nog niet opgestart.

Aan de hand van de Franse binnenwatergidsjes plannen we onze dagelijkse stop. Dan weer aan wat bolders langs een loswal; dan weer aan een ponton met elektra zodat we warmwater hebben voor de douche. Zo ook de aankomst in Meaux.

Een van de “hoogtepunten” in onze wereldreis was toch wel het verblijf in Puteri Harbour, Maleisië. Warm, klammig, vuil en vol… Op een avond ziet Christien iets lopen door de keuken. Ik ben al in slaap gesukkeld. Tegen de tijd dat ik weer bij mijn positieven ben zie ik niets. Verbeelding? Nauwelijks ben ik weer weg gedommeld of het feest herhaald zich. Weer helder zie ik … niets.

De avond erop het zelfde spelletje. Christien hoort geknaag. Als we de volgende ochtend buiten komen blijkt er een mooi rond gat geknaagd te zijn in ons teakblokkenrooster op de vloer. Iemand heeft zich kennelijk ontfermd over een “gevallen” pinda.

De dagen erna vang ik tot twee keer toe een rat die ik –de eerste keer- woedend over bord zet; hij zwemt kwispelend met zijn staart gewoon weg. Tijd voor meer aktie, de volgende twee ratten vang ik in een kooi. Aan de havenboys vraag ik, naief, ze buiten het terrein weer los te laten.

Pas als we een paar dagen later vertrekken is ons rattenprobleem opgelost.

Langzaam varen we de snelstromende Marne af in de richting van de nog lege pontons van de Halte Fluvial in Meaux. Het is geen sinicure dwarsstrooms aan te leggen. Helaas blijkt de elektra nog niet aangesloten; uit de waterkraan drupt geen drop. Overal zitten rood/witte afbakenlinten. Een briefje vermeld dat de haven gesloten is; om technische redenen.

Net als we besluiten maar te blijven liggen -zonder voorzieningen- ziet Christien iets lopen; glad, bruin en van onaangenaam formaat.

Oh, nee! Niet weer een herhaling van Puteri Harbour. In no-time liggen we weer los. Snel door naar de volgende stop, 2 uur verderop. Voor ons geen “rattennesten” in het vooruit.