Gastvrij

Onze laatste weken in de “3000” kilometer rondreis dit jaar. Zuidoost Groningen, midden september, nazomer. Het is rustig op het water, maar een enkele boot waagt zich nog in de lome wateren van de Veenkoloniën. De doorvaart door de honderden bruggetjes wordt geregeld door middel van ”konvooivaart”; een brug/sluiswachter rijdt het hele kanaal met je mee.

Met linnentasjes vol informatie staat de dienstdoende wachter ons al op te wachten. Hij is zorgzaam. Voorzien van stroom, water en een sleutel voor de douches laat hij ons achter, klaar voor het grote konvooi de volgende dag. We krijgen zijn “06”nummer voor het geval er iets loos is.

De volgende dag, ons afvalzakje wordt door hem nog even afgevoerd, staat hij al weer vroeg klaar om ons te helpen.

2 uur later en enkele tientallen bruggen verder zit zijn taak er al weer op. We worden overgedragen aan de volgende wachters op het traject. Als de laatste sluis ons uitspuugt kunnen we gaan, we zijn de enige. “Vaar maar stevig door, jullie worden om 10.30 bij de volgende brug verderop verwacht”.

De daad bij het woord voegend zetten we er onverantwoord de sokken in. 9-10 kilometer per uur terwijl de roeibootjes “spreekwoordelijk” de kant opstuiven en het riet heeeeeel diep voor ons buigt leggen we het traject af. De boot zuigt zich vast aan de kanaalbodem, wat er ook aan gas bij komt, sneller lukt echt niet.

Onverantwoord! Wetend van de toegestane snelheid in dit kanaal nemen we al snel gas terug. De natuur en de Ommelanden zijn ons toch meer lief dan deze absurde vaaraanwijzing.

Als we om 10.35 –vijf minuten te laat- bij de bedoelde brug aan komen staat de lokale ambtenaar/brug en sluiswachter al voor ons klaar. De brug blijft dicht. Met wilde handgebaren worden we naar de kant gedirigeerd. Driftig op zijn horloge tikkend krijgen we een preek; “te laat, blijf maar liggen tot het volgende konvooi –na het weekend- en anders bel je m’n baas maar.

De baas is kennelijk iets minder streperig en stelt vast dat er toch gewoon gevaren moet worden. Anderhalf uur later liggen we midden in de stad aan het kanaal op onze plek voor het weekend. We hebben geluk, markt en winkels –voor zover nodig- liggen dichtbij.

Een andere ontvangst dan de linnentasjes van gistermiddag. Kennelijk wordt gastvrijheid binnen de Veenkoloniën wat wisselend ingevuld.

Pittig …

Platsjjj; plop, plop plop.

Kom ik hier nu nooit vanaf?  Heel voorzichtig draai ik het laatste schroefje los. Met een schroevendraaier wurm ik de rubber membraam iets opzij. Voor ik het weet is het al gebeurd. Gelukkig redt de hoosemmer me.

De zee van ruimte die de motorruimte me gaf, is inmiddels gevuld met al die dingen die ik als zeiler ooit dacht nodig te hebben aan boord. Ik heb geluk, zelfs met een emmer tussen mijn benen is er nog altijd voldoende ruimte voor mij en mijn gereedschapsbak. Traag druppelt de toiletpomp zijn laatste inhoud in de emmer.

Als er iets is dat ik hoopte achter me te kunnen laten bij onze sprong aan boord van de Scalare, is dat toch wel de jaarlijkse reparatieslag in het toiletcompartiment. Al ver voor onze tocht over de wereldzeeën, eiste de toilet jaarlijkse aandacht op. Je wordt er ervaren in. Op het laatst kon ik het zelfs nog onder helling nog doen.

Vol enthousiasme prijst de leverancier het elektrisch toilet bij ons aan boord. Er gaat een wereld voor ons open. “gaat nooit stuk” vermeldt hij erbij. Ook voor de pomp van de vuilwaterafvoer –voor buitenlands gebruik als de tank vol zit en er geen “afzuigpunt” in velden of wegen te bekennen is- neem ik nog geen reserve onderdelen mee. Wat naïef, dat geef ik toe.

Heel voorzichtig peuter ik de ongerechtigheden uit de kleppen van onze vuilwater pomp. De derde keer al deze week. De pomp trekt geen vacuüm meer. Met een pincet probeer ik na te gaan wat er nu weer de kleppen aan beide zijden van de pomp beleeft open houdt.

Gezondheidsbewust als we zijn vullen we onze eigen gemaakte muesli met noten en pitten aan. Kilo’s hebben we er van aan boord gebracht.

Tussen de puntjes van mijn pincet steekt een venijnige pit. Precies, net zo een als ik dagen geleden al aan ons ontbijt mengsel heb toegevoegd. De pitten die me ook nu weer dwingen tot arbeid in de ingewanden van ons nieuw verworden bezit.

Nee, qua toilet techniek ben ik er nog niet veel mee opgeschoten. Het enige verschil is dat het ontstoppen niet meer onder helling hoeft.

 

Kun je even …

Voor me ligt een bebaarde oudere stuurman in de sluis. We hebben er de komende dagen nog een flink aantal te doen; stevige sluizen met een verval van soms meer dan 3 meter, hoewel kort 38,50 meter, nog altijd zo’n 583 kuub water, 2500 ligbaden per keer.

Bijna 190 sluizen telt het kanaal dat we varen. De sluismeester stelt het op prijs als u mee helpt bij het schutten; althans volgens de gids. Rondom het schutten heb ik toch niets omhanden, dus een beetje lichaamsbeweging kan geen kwaad. Even helpen een deur dicht of open te doen, de schuiven in de deur te bedienen terwijl de sluismeester de tegenoverliggende deur bedient, is dan een kleine moeite. Gestoken in een fluorroze shirtje ontgaat de stuurman voor me in de sluis mijn bijdrage in elk geval niet; het oog wil toch ook wat.

Eenmaal aangelegd doe ik alvast de deur dicht aan mijn kant van de sluis. De sluismeester laat nog op zich wachten. Deze zaterdag is hij verantwoordelijk voor een aantal sluizen achter elkaar en hij is waarschijnlijk nog bezig op een andere sluis.

De stuurman wordt ongeduldig en drukt af en toe op de toeter. Ik laat hem maar en wacht geduldig af.

Plots, als ik even mijn hoofd naar buiten steek, spreekt de hij mij aan. Kun je ook de andere sluisdeur dicht doen en beginnen met schutten?

Hij is verbaasd als ik zijn verzoek naast me neerleg. Helpen is toch iets anders dan de verantwoordelijkheid nemen voor die 2500 ligbaden waterval. Apart volk toch af en toe, die oudere bootjes mensen. 

Tunnelvisie

Ik zie maar één ding; de halve boog licht, nauwelijks een puntje ver voor me uit. Strak gericht kijk ik met één oog naar het punt op de reling naast me. Ik heb mezelf een strikte order meegegeven; wat er ook gebeurt, dat punt moet blijven rusten op de langzaam langskomende balk vijftig centimeter naast me op de wand.

Het kanaalgidsje zegt dat ik de balk nog meer dan twee kilometer strak –op vijftigcentimeter- aan stuurboord moet houden. Ik moet rechtdoor blijven sturen. Ooit was het een methode van de politie om de staat van dronkenschap te bepalen, vragen aan de verdachte om een paar meter in een rechte lijn te lopen. Moeilijk? Ja, weet ik uit ervaring. Zelfs als je broodnuchter bent.

Een van de vernuftige vindingen in het 19e eeuwse Franse kanaal”bouwen” is het overbruggen van bergruggen in het landschap door het kanaal niet over de berg, maar door de berg te leiden. Een variant op het Engelse kinderrijmpje “Going on a bearhunt – We can’t go over it. We can’t go under it. We’ve got to go through” De Franse gingen duidelijk “through”; liefst zo small en zo donker mogelijk.

Als ik één ding nooit geleerd heb in mijn vaarcarrière is dat toch wel tunnelvaren.

Gelukkig staan ze op de kaart goed aangegeven. Je weet in elk geval waar je aan toe bent; aan het eind ligt een lolly.

Ik ben niet claustrofobisch, maar je zou het bijna worden. Vond ik de Franse Rhônesluizen al imposant als je van “beneden naar boven” werd geschut en zo’n twintig meter hoge grafkelder in voer; dit is zo mogelijk nog beangstigender.

Stap voor stap vaar ik de tunnel in, het klamme zweet telkens weer afvegend aan mijn broek. Eenmaal gewend aan het duister neem ik ook de uitgang al weer waar. Als een lolly die gloort aan de horizon. Minuten kruipen voort, net als de meters. Een schril alarm vertelt dat ook de laatste signalen uit de buitenwereld –gps en AIS- wegvallen. Het klammig vocht druppelt gestaag naar beneden vanaf het plafond –moet ik nu met de ruitenwissers “aan” door een tunnel varen?

Pas minuten later begint het halve rondje in omvang te groeien, komt het einde wat naderbij. Gespannen houd ik mijn afstand tot de wand vast; ik tel de tijd af.

Dan ook groeit de verleiding, neemt het lef toe om de snelheid te verhogen, geeft de omvang van de “halve maan van licht” voor me vertrouwen.

Ik geef gas; mijn lolly is verdiend.

Ketelbinkie

“Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de Edam een oude schuit, met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in ’t vooruit…” Een oud zeemansliedje, nog altijd populair voor Shantykoren. Bijna was het bewaarheid.

Het is nog vroeg in het seizoen. Op allerlei plaatsen waar we aankomen zijn we de eerste van het jaar, zit de wateraansluiting nog dik –vorstbestendig- ingepakt, is de elektra nog niet aangesloten. Een geluk bij dit al, de vuilnisbakken zijn nog leeg; hoewel af en toe is zelfs de regelmatige vuilophaal nog niet opgestart.

Aan de hand van de Franse binnenwatergidsjes plannen we onze dagelijkse stop. Dan weer aan wat bolders langs een loswal; dan weer aan een ponton met elektra zodat we warmwater hebben voor de douche. Zo ook de aankomst in Meaux.

Een van de “hoogtepunten” in onze wereldreis was toch wel het verblijf in Puteri Harbour, Maleisië. Warm, klammig, vuil en vol… Op een avond ziet Christien iets lopen door de keuken. Ik ben al in slaap gesukkeld. Tegen de tijd dat ik weer bij mijn positieven ben zie ik niets. Verbeelding? Nauwelijks ben ik weer weg gedommeld of het feest herhaald zich. Weer helder zie ik … niets.

De avond erop het zelfde spelletje. Christien hoort geknaag. Als we de volgende ochtend buiten komen blijkt er een mooi rond gat geknaagd te zijn in ons teakblokkenrooster op de vloer. Iemand heeft zich kennelijk ontfermd over een “gevallen” pinda.

De dagen erna vang ik tot twee keer toe een rat die ik –de eerste keer- woedend over bord zet; hij zwemt kwispelend met zijn staart gewoon weg. Tijd voor meer aktie, de volgende twee ratten vang ik in een kooi. Aan de havenboys vraag ik, naief, ze buiten het terrein weer los te laten.

Pas als we een paar dagen later vertrekken is ons rattenprobleem opgelost.

Langzaam varen we de snelstromende Marne af in de richting van de nog lege pontons van de Halte Fluvial in Meaux. Het is geen sinicure dwarsstrooms aan te leggen. Helaas blijkt de elektra nog niet aangesloten; uit de waterkraan drupt geen drop. Overal zitten rood/witte afbakenlinten. Een briefje vermeld dat de haven gesloten is; om technische redenen.

Net als we besluiten maar te blijven liggen -zonder voorzieningen- ziet Christien iets lopen; glad, bruin en van onaangenaam formaat.

Oh, nee! Niet weer een herhaling van Puteri Harbour. In no-time liggen we weer los. Snel door naar de volgende stop, 2 uur verderop. Voor ons geen “rattennesten” in het vooruit.

Dorst

Meer dan 800 liter sleepten we mee aan boord van ons zeilend kantoor. Liters, in tank en jerrycan, die goed waren voor meer dan 200 motoruren of als er maar genoeg wind was, voor een oceaan breed zeiltraject.

Het is warm, klef warm, als we met onze jerrycans rond sjouwen op de Frans-Belgische grens. De eerste twee weken hebben we een halve tank opgesoupeerd; bijna 500 kilometer zijn we inmiddels, via omwegen, van huis.

Op onze terugtocht een jaar eerder, door de ingewanden van Frankrijk, hadden we het al ontdekt. Even tanken uit de slang zoals je met een auto zo makkelijk doet, is voor een boot een zeldzaamheid.

We slepen aan boord een steekwagentje mee en 76 liter aan geschikte jerrycans. Leeg, want op de Franse binnenwateren is het vervoeren aan boord van diesel in jerrycans niet toegestaan.

Zo vroeg in het jaar is de basisvraag natuurlijk of de diesel aan de “watersport”pomp al voldoende is door gestroomd –dit in verband met verslechtering van de diesel gedurende de winter. Goede vraag; alleen, zover komen we niet eens.

Varend langs Achel –even een omweg om kleinkind nog even te zien- oordelen we het tè vroeg. Wij zijn nog onervaren. 150 kilometer verderop, Namen, is geen diesel beschikbaar; “probeer Dinant!”. In Anseremme; vraag het aan de havenmeester in Fumay, dan laat hij een tankwagen komen!

We nemen de gok maar niet aan lossen het zelf dan maar op. Bij de Franse grens is een tankstation. We sjouwen zelf wel met jerrycans; drie keer heen en weer.

Weer 500 kilometer verder, Parijs ligt al achter ons, begint het spel opnieuw. De tank is halfleeg, we zoeken alvast. Parijs hebben we maar laten zitten. Tijdens de lunchpauze werd er niet gewerkt; we blijven naïef. En nu? We speuren de oevers af naar een “weg”tankstation. Misschien over een dag of wat. Een kilometer sjouwen, drie keer op en neer, met een 70 kilo diesel op een steekwagentje; we blijven er in ieder geval warm bij.

Ons beestje is dorstig; alleen hoe we in haar drankje moeten blijven voorzien is nog een puzzel.

Blokken

Het is bijna of ik weer in de schoolbanken zit; nou ja, op de kajuitbank dan, maar wel met mijn laptop als lessenaar.

Ooit in de zestiger jaren van de vorige eeuw was het talenpracticum de uitvinding van die tijd om de opstormende schooljeugd klaar te stomen voor de vaart der volkeren. Een uurtje in de week –per taal- hadden we de beschikking over dit wonder van vernuft. De docent als DJ die geheel onverwachts de knop om zette en juist mijn gestuntel aan een kritisch native oor bloot stelde. Een uur zonder beurt was weer een uur gewonnen in het leven; althans zo voelde dat in die tijd.

Het is me gelukt de eindstreep te halen, hoewel het geen verbazing zal oogsten dat ik juist in de vakken zonder talen practicum mijn hoogste cijfers wist op te doen. Werkende weg heb ik uiteindelijk in de praktijk mijn maar matig aanwezige talengevoel wat meer handen en voeten gegeven. Waar dit niet lukte, stuurde een bedrijf je nog wel eens naar de “nonnen”; een straffe en strenge meedogenloze aanpak waarbij op bijna devote wijze het talen gevoel werd gedrild.

Eenmaal op reis lukte het beter, in elk geval spreekvaardig, een verantwoord niveau van verstaanbaarheid te creëren. We wisselden het wat af, dan weer Franstalig, de specialiteit van maatje Christien; dan weer Spaans of Portugees, iets meer mijn specialiteit. Soms zelfs in de zeilersgemeenschap een “tolkfunctie” om de Frans, Duits en Engelstalige medezeilers met elkaar te verbinden. Alleen het Indonesisch, Maleisisch en Turks-Arabisch; het is me tot nu toe niet gelukt die talen onder de knie te krijgen.

Tot we weer aan de wal stappen en we voor langere tijd  ons “droge” leven weer oppakken; alles, wellicht met uitzondering van ons Engels, zakt pijlsnel weg. Alsof een ijsje in je handen gewoon wegsmelt in de zon.

Gedwongen even 14 dagen rustig aan te doen, stel ik mijzelf een doel. Ik volg online cursussen, maak lijstjes van vervoegingen, werk vreemde woorden lijsten door. Het zal me toch niet overkomen, over een paar weken weer op weg en niet meer uit mijn woorden komen in vreemd gezelschap of door de marifoon.

Tweemaal per dag open ik mijn eigen “nonnen” instituut en blok bijna dwangmatig om ten minste mijn Frans weer op niveau te brengen. Nog een paar dagen te gaan. Gelukkig is er geen examen aan verbonden; de praktijk zal uitwijzen of mijn vorderingen in het “real life” talenpracticum wel voldoende zijn.

 

Blokje om …

Het voelt als de jongste bediende die meteen na haar rijexamen de Masserati van de baas achteruit een klein steegje in mag parkeren.

Het is zondagmiddag, het zomerseizoen staat voor de deur. Overal om ons heen zijn boten bewoont, zitten eigenaren lekker met hun kopje thee in de zon.

Na een winter op een mooie stek komt binnenkort de oorspronkelijke gebruiker van ons plekje weer terug. We moeten verkassen; 200 meter, vier keer het hoekje om.

Geen probleem zou je zo zeggen, met tientallen jaren zeilervaring, meer dan 40.00 zeemijl in de laatste tien jaar moet dat toch wel lukken.

Ooit waren havens ingericht op het met vernuft van roer en wielwerking; klapje vooruit, roer dwars en weer een klapje achteruit maken van kloeke manoeuvres.  Die tijd is wel voorbij. Sinds de grootschalige omarming van boeg en hekschroef zijn er flink wat steigers bijgebouwd; midden in het manoeuvreerwater wel te verstaan. Inbreien zoals dat in de stedenbouwkundige wereld heet.

Moedig pakken we de opdracht op. Heel voorzichtig varen we stapvoets de box uit. Een paar flinke stoten van de boegschroef, geholpen door wat duwtjes van de hekschroef in de rug, draait ons in no-time 90 graden om; de eerste hoek.

70 meter verder, we naderen stapvoets, zetten we het roer dwars. Een extra dotje gas zet de “kont” mooi om.  25 meter verder, hetzelfde recept; weer twee hoeken gehad.

Her en der om ons heen trekken onze bewegingen aandacht, de eerste mooie dag sinds tijd en meteen al actie; logisch dat hoofden meedraaien in elke bocht.

Stapvoets, in de laagste gasstand naderen we onze nieuwe plek. De vraag blijft natuurlijk hoe we dit slim aanpakken; waar stuur je op aan? hoeveel gas? krijgen we de boeg voldoende om? En vooral, als we dan omgedraaid liggen, ligt de kont dan netjes voor de nieuwe plek.

Iets te hard naar mijn zin lopen we aan op de boot tegenover ons plekje. Een klapje achteruit legt ons wat traag stil. Dan kan het feest met de boeg en de hekschroef weer beginnen. Terwijl voor de kop traag op een meter langs de kont van onze tegenoverligger schuift, ligt achter mijn kont nog twee meter van de achterligger af. Roerdwars en weer een klapje gas, brengt de kont langzaam wat meer recht voor onze eigen plek. Nog wat gepriegel met de boegschroef geeft weer wat meer lucht aan de voorkant, nog steeds een meter afstand, maar nu wel recht voor onze nieuwe plek.

Plopje voor plopje, schuiven we naar achter, nog vier meter, nog drie, nog twee en dan weer hard vooruit. Ondertussen houden we met boeg en hekschroef onze achteruitrij koers netjes haaks.

Net op tijd liggen we stil; onze “nieuwe buren” staan al klaar om de lijntjes aan te pakken. Vijf minuten later liggen we weer vast.

200 meter, vier haakse hoeken, het zweet kan weer worden afgeveegd.

Tja, dan kun je wel aardig zeilen; voor het eerst dit jaar even een motorboot verleggen is toch andere koek. Zeker als vrouw moet je het dubbel zo netjes doen met al die kritische blikken om je heen.  

De dag erop schiet de havenmeester ons aan. “Wie gezegd heeft dat we daar moeten gaan liggen?”  Of we de boot willen verplaatsen; “… volgende week komt de vaste gebruiker van die plaats weer terug”.

Hebben wij weer.

Blond?

Heel voorzichtig gloeit de verlichting feller op. Gedachteloos druk ik de schakelaar wat langer in. Soms voel ik me net een holbewoonster die in één keer probeert vanuit de steentijd in het computertijd wortel te schieten.

Ondanks dat  we er 12 jaar geleden met ons neus boven op hebben gezeten, duurde het zeker een jaar voor we de kneepjes van de technische installaties aan boord wisten te doorgronden. Hele schema’s en plattegronden heb ik getekend om te bevatten wat, waar en hoe op elkaar in kon grijpen.

In tegenstelling tot de vorige keer, 12 jaar geleden, heb ik dit keer een uitgebreid schema van alle elektrische connecties tot mijn beschikking. Toch lost ook dat nog steeds niet ieder raadsel op.

Al bij de eerste kennismaking met de Scalare kom ik een indrukwekkend apparaat tegen dat als “dimmer” in het schema staat vermeld. Langzaam aan – soms erg langzaam- kom ik er achter wat er aan geheimen in de boot schuilt. Alleen die dimmer, het lukt me maar niet daar wat meer licht op te laten schijnen. En het is al zo beperkt.

We vragen het de vorige eigenaren. Misschien weten zij waar de draaiknop van de dimmer is. of eventueel de afstandsbediening. Misschien ligt ie wel extra goed opgeborgen aan boord. Maar helaas, ook zij kunnen ons niet helpen.

Tot ik maanden later nog steeds niet weet hoe ik er mee  verder moet.

Een mooie schakelaar schakelt ze prachtig aan en uit, maar verder, van dimmen geen spoor.

En dan op een dag vergeet ik mijn vinger van de knop te halen. Hel, heel langzaam neemt het licht niveau toe. Verbijsterd over deze noviteit, haal ik mijn vinder nog steeds niet weg. En ziet, het licht niveau neemt net zo gemakkelijk weer af.

Ik schreef het al, soms duurt het even voor ik een zo’n laatste geheim ontsluierd heb.

Dom? Blond?

Gas; ik heb er zin in!

Vandaag effe mijn gas controleren; ik heb er zin in! Het heeft wat weg van de reclame slogan: Vanavond effe alle bijlagen van mijn lijfrente polis doornemen; ik heb er zin in! Je hoort het bijna nooit. Een onder geschoven kindje. Liever gezellig aan een wijntje dan even checken of je gaskeur soms verloopt.

Nog een paar weken en het seizoen breekt weer aan. Breaking news; explosie op een motorboot. Bijna altijd gaat het om gas. De tijd van exploderende benzinetanks ligt, voor wat betreft de kajuitboten, alweer een tijd achter ons. Helaas vaak ook met doden en gewonden en, nauwelijks te vermijden, veel schade; ook bij de buren.

Ons gas-keuringscertificaat loopt af; tijd voor vernieuwing. Nog maagdelijk en lelieblank op dit terrein, leggen we ons oor te luisteren bij de havenmeester. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we, zeilend over de wereldzeeën, ook geen kans zagen ons “gascertificaat”, voor de volgens de voorschriften aangelegde installatie, te vernieuwen. We vervingen jaarlijks gewoon maar alle kwetsbare delen. We zijn dus nog helemaal blank op dit terrein.

We vragen eens rond, bij de havenmeesters, wie er regelmatig gaskeuringen doet op de haven. Verwonderd kijkt hij ons aan. Nee, een naam heeft hij zo niet. Hij zal eens informeren. Iemand die de keuring van de gasinstallatie kan doen; nee dat komt zo vaak niet als vraag bij hem langs.

Wat rondzoekend op internet vinden we wel een paar adressen, ook de havenmeester geeft ons na verloop van tijd een adres. Alleen de prijzen van zo’n nieuw certificaat, da’s niet mis. Hoewel, als je zo kunt voorkomen dat je je boot te vroeg opnieuw moet laten intimmeren en schilderen, dan is  dat ook wel wat waard.

Toch zit het me niet lekker; de stevige prijzen, een havenmeester die zo’n vraag maar weinig krijgt, is die eis van de verzekeraars dan een wassen neus? Is het een fabeltje dat jachthavens belang hechten aan dit stuk veiligheid?

Gelukkig tref ik de volgende dag een firma op de haven die kennelijk een gaskeuring voor iemand verzorgd; valt me weer mee, ik was al bang dat ik de braafste van de klas zou zijn. Toch blijft het apart, zo’n belangrijk thema en zo weinig aanwijzingen dat het serieus wordt aangepakt.

We nemen het risico niet en kunnen een paar dagen later ons nieuwe gascertificaat in de armen sluiten. Nu maar hopen dat onze buren in de havens waar we straks gaan komen diezelfde wijsheid met gas hebben opgebracht. Dat ze vandaag toch ook hun gas laten controleren; dat ze er zin in hebben, dan heb ik het ook.