Blokje om …

Het voelt als de jongste bediende die meteen na haar rijexamen de Masserati van de baas achteruit een klein steegje in mag parkeren.

Het is zondagmiddag, het zomerseizoen staat voor de deur. Overal om ons heen zijn boten bewoont, zitten eigenaren lekker met hun kopje thee in de zon.

Na een winter op een mooie stek komt binnenkort de oorspronkelijke gebruiker van ons plekje weer terug. We moeten verkassen; 200 meter, vier keer het hoekje om.

Geen probleem zou je zo zeggen, met tientallen jaren zeilervaring, meer dan 40.00 zeemijl in de laatste tien jaar moet dat toch wel lukken.

Ooit waren havens ingericht op het met vernuft van roer en wielwerking; klapje vooruit, roer dwars en weer een klapje achteruit maken van kloeke manoeuvres.  Die tijd is wel voorbij. Sinds de grootschalige omarming van boeg en hekschroef zijn er flink wat steigers bijgebouwd; midden in het manoeuvreerwater wel te verstaan. Inbreien zoals dat in de stedenbouwkundige wereld heet.

Moedig pakken we de opdracht op. Heel voorzichtig varen we stapvoets de box uit. Een paar flinke stoten van de boegschroef, geholpen door wat duwtjes van de hekschroef in de rug, draait ons in no-time 90 graden om; de eerste hoek.

70 meter verder, we naderen stapvoets, zetten we het roer dwars. Een extra dotje gas zet de “kont” mooi om.  25 meter verder, hetzelfde recept; weer twee hoeken gehad.

Her en der om ons heen trekken onze bewegingen aandacht, de eerste mooie dag sinds tijd en meteen al actie; logisch dat hoofden meedraaien in elke bocht.

Stapvoets, in de laagste gasstand naderen we onze nieuwe plek. De vraag blijft natuurlijk hoe we dit slim aanpakken; waar stuur je op aan? hoeveel gas? krijgen we de boeg voldoende om? En vooral, als we dan omgedraaid liggen, ligt de kont dan netjes voor de nieuwe plek.

Iets te hard naar mijn zin lopen we aan op de boot tegenover ons plekje. Een klapje achteruit legt ons wat traag stil. Dan kan het feest met de boeg en de hekschroef weer beginnen. Terwijl voor de kop traag op een meter langs de kont van onze tegenoverligger schuift, ligt achter mijn kont nog twee meter van de achterligger af. Roerdwars en weer een klapje gas, brengt de kont langzaam wat meer recht voor onze eigen plek. Nog wat gepriegel met de boegschroef geeft weer wat meer lucht aan de voorkant, nog steeds een meter afstand, maar nu wel recht voor onze nieuwe plek.

Plopje voor plopje, schuiven we naar achter, nog vier meter, nog drie, nog twee en dan weer hard vooruit. Ondertussen houden we met boeg en hekschroef onze achteruitrij koers netjes haaks.

Net op tijd liggen we stil; onze “nieuwe buren” staan al klaar om de lijntjes aan te pakken. Vijf minuten later liggen we weer vast.

200 meter, vier haakse hoeken, het zweet kan weer worden afgeveegd.

Tja, dan kun je wel aardig zeilen; voor het eerst dit jaar even een motorboot verleggen is toch andere koek. Zeker als vrouw moet je het dubbel zo netjes doen met al die kritische blikken om je heen.  

De dag erop schiet de havenmeester ons aan. “Wie gezegd heeft dat we daar moeten gaan liggen?”  Of we de boot willen verplaatsen; “… volgende week komt de vaste gebruiker van die plaats weer terug”.

Hebben wij weer.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s