Maandelijks archief: mei 2016

Ketelbinkie

“Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de Edam een oude schuit, met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in ’t vooruit…” Een oud zeemansliedje, nog altijd populair voor Shantykoren. Bijna was het bewaarheid.

Het is nog vroeg in het seizoen. Op allerlei plaatsen waar we aankomen zijn we de eerste van het jaar, zit de wateraansluiting nog dik –vorstbestendig- ingepakt, is de elektra nog niet aangesloten. Een geluk bij dit al, de vuilnisbakken zijn nog leeg; hoewel af en toe is zelfs de regelmatige vuilophaal nog niet opgestart.

Aan de hand van de Franse binnenwatergidsjes plannen we onze dagelijkse stop. Dan weer aan wat bolders langs een loswal; dan weer aan een ponton met elektra zodat we warmwater hebben voor de douche. Zo ook de aankomst in Meaux.

Een van de “hoogtepunten” in onze wereldreis was toch wel het verblijf in Puteri Harbour, Maleisië. Warm, klammig, vuil en vol… Op een avond ziet Christien iets lopen door de keuken. Ik ben al in slaap gesukkeld. Tegen de tijd dat ik weer bij mijn positieven ben zie ik niets. Verbeelding? Nauwelijks ben ik weer weg gedommeld of het feest herhaald zich. Weer helder zie ik … niets.

De avond erop het zelfde spelletje. Christien hoort geknaag. Als we de volgende ochtend buiten komen blijkt er een mooi rond gat geknaagd te zijn in ons teakblokkenrooster op de vloer. Iemand heeft zich kennelijk ontfermd over een “gevallen” pinda.

De dagen erna vang ik tot twee keer toe een rat die ik –de eerste keer- woedend over bord zet; hij zwemt kwispelend met zijn staart gewoon weg. Tijd voor meer aktie, de volgende twee ratten vang ik in een kooi. Aan de havenboys vraag ik, naief, ze buiten het terrein weer los te laten.

Pas als we een paar dagen later vertrekken is ons rattenprobleem opgelost.

Langzaam varen we de snelstromende Marne af in de richting van de nog lege pontons van de Halte Fluvial in Meaux. Het is geen sinicure dwarsstrooms aan te leggen. Helaas blijkt de elektra nog niet aangesloten; uit de waterkraan drupt geen drop. Overal zitten rood/witte afbakenlinten. Een briefje vermeld dat de haven gesloten is; om technische redenen.

Net als we besluiten maar te blijven liggen -zonder voorzieningen- ziet Christien iets lopen; glad, bruin en van onaangenaam formaat.

Oh, nee! Niet weer een herhaling van Puteri Harbour. In no-time liggen we weer los. Snel door naar de volgende stop, 2 uur verderop. Voor ons geen “rattennesten” in het vooruit.

Advertenties

Dorst

Meer dan 800 liter sleepten we mee aan boord van ons zeilend kantoor. Liters, in tank en jerrycan, die goed waren voor meer dan 200 motoruren of als er maar genoeg wind was, voor een oceaan breed zeiltraject.

Het is warm, klef warm, als we met onze jerrycans rond sjouwen op de Frans-Belgische grens. De eerste twee weken hebben we een halve tank opgesoupeerd; bijna 500 kilometer zijn we inmiddels, via omwegen, van huis.

Op onze terugtocht een jaar eerder, door de ingewanden van Frankrijk, hadden we het al ontdekt. Even tanken uit de slang zoals je met een auto zo makkelijk doet, is voor een boot een zeldzaamheid.

We slepen aan boord een steekwagentje mee en 76 liter aan geschikte jerrycans. Leeg, want op de Franse binnenwateren is het vervoeren aan boord van diesel in jerrycans niet toegestaan.

Zo vroeg in het jaar is de basisvraag natuurlijk of de diesel aan de “watersport”pomp al voldoende is door gestroomd –dit in verband met verslechtering van de diesel gedurende de winter. Goede vraag; alleen, zover komen we niet eens.

Varend langs Achel –even een omweg om kleinkind nog even te zien- oordelen we het tè vroeg. Wij zijn nog onervaren. 150 kilometer verderop, Namen, is geen diesel beschikbaar; “probeer Dinant!”. In Anseremme; vraag het aan de havenmeester in Fumay, dan laat hij een tankwagen komen!

We nemen de gok maar niet aan lossen het zelf dan maar op. Bij de Franse grens is een tankstation. We sjouwen zelf wel met jerrycans; drie keer heen en weer.

Weer 500 kilometer verder, Parijs ligt al achter ons, begint het spel opnieuw. De tank is halfleeg, we zoeken alvast. Parijs hebben we maar laten zitten. Tijdens de lunchpauze werd er niet gewerkt; we blijven naïef. En nu? We speuren de oevers af naar een “weg”tankstation. Misschien over een dag of wat. Een kilometer sjouwen, drie keer op en neer, met een 70 kilo diesel op een steekwagentje; we blijven er in ieder geval warm bij.

Ons beestje is dorstig; alleen hoe we in haar drankje moeten blijven voorzien is nog een puzzel.

Blokken

Het is bijna of ik weer in de schoolbanken zit; nou ja, op de kajuitbank dan, maar wel met mijn laptop als lessenaar.

Ooit in de zestiger jaren van de vorige eeuw was het talenpracticum de uitvinding van die tijd om de opstormende schooljeugd klaar te stomen voor de vaart der volkeren. Een uurtje in de week –per taal- hadden we de beschikking over dit wonder van vernuft. De docent als DJ die geheel onverwachts de knop om zette en juist mijn gestuntel aan een kritisch native oor bloot stelde. Een uur zonder beurt was weer een uur gewonnen in het leven; althans zo voelde dat in die tijd.

Het is me gelukt de eindstreep te halen, hoewel het geen verbazing zal oogsten dat ik juist in de vakken zonder talen practicum mijn hoogste cijfers wist op te doen. Werkende weg heb ik uiteindelijk in de praktijk mijn maar matig aanwezige talengevoel wat meer handen en voeten gegeven. Waar dit niet lukte, stuurde een bedrijf je nog wel eens naar de “nonnen”; een straffe en strenge meedogenloze aanpak waarbij op bijna devote wijze het talen gevoel werd gedrild.

Eenmaal op reis lukte het beter, in elk geval spreekvaardig, een verantwoord niveau van verstaanbaarheid te creëren. We wisselden het wat af, dan weer Franstalig, de specialiteit van maatje Christien; dan weer Spaans of Portugees, iets meer mijn specialiteit. Soms zelfs in de zeilersgemeenschap een “tolkfunctie” om de Frans, Duits en Engelstalige medezeilers met elkaar te verbinden. Alleen het Indonesisch, Maleisisch en Turks-Arabisch; het is me tot nu toe niet gelukt die talen onder de knie te krijgen.

Tot we weer aan de wal stappen en we voor langere tijd  ons “droge” leven weer oppakken; alles, wellicht met uitzondering van ons Engels, zakt pijlsnel weg. Alsof een ijsje in je handen gewoon wegsmelt in de zon.

Gedwongen even 14 dagen rustig aan te doen, stel ik mijzelf een doel. Ik volg online cursussen, maak lijstjes van vervoegingen, werk vreemde woorden lijsten door. Het zal me toch niet overkomen, over een paar weken weer op weg en niet meer uit mijn woorden komen in vreemd gezelschap of door de marifoon.

Tweemaal per dag open ik mijn eigen “nonnen” instituut en blok bijna dwangmatig om ten minste mijn Frans weer op niveau te brengen. Nog een paar dagen te gaan. Gelukkig is er geen examen aan verbonden; de praktijk zal uitwijzen of mijn vorderingen in het “real life” talenpracticum wel voldoende zijn.