Alle berichten door diederique

Over diederique

I am a female writer of adventerous travelbooks/ stories and childrenbooks

Geduld

Stilleggen, achteruit, klein stukje vooruit. Nog een kwartier, dan kunnen we weer verder. Voor ons zit al dagen een beroepsschipper. Gelaten sleurt hij zijn geladen spits over de grond. Een langgerekte wolk van omgewoelde modder laat zien waar hij is geweest. Tussen de sluizen ligt zijn vaart tussen de 2,5 en 4 kilometer per uur; sluis in en uit hooguit een fractie.
Op een breed kanaal zou je zo’n boot voorbij gaan, maar in de traditionele Franse kanaaltjes -nauwelijks 10 meter bevaarbaar breed en met soms maar een paar honderd meter tussen de sluisjes- laat je dat wel uit je hoofd.
Een geluk hebben we, doordat hij al om 7.00 mag gaan varen en ’s avonds tot 19.00 door mag gaan -in tegenstelling tot de regels voor de “pleziervaart”- lopen we hem pas weer tegen de middag op. Er zit maar één mogelijkheid op; geduld.
Eenmaal op de rivier, de laatste kanaalsluis achter de rug, wordt alles anders. Dagen van tegen de 100 kilometer liggen voor de boeg. Doordat de Franse bakkers hun winkel al tijdig openen gaat er geen dag voorbij zonder geurend vers brood. Pas tegen lunchtijd -de muesli bij het ontbijt laat zich niet verdringen- proeven we echt hoe het nieuw verworven brood smaakt. Te laat, hoe lekker het ook smaakt, op de fiets nog eens zulk lekker brood halen zit er niet. Tientallen kilometers terug, heuvelop is wat teveel voor een brood. We zetten een kruisje in de kaart. Als we over een tijd weer langs de bakker komen moeten we daar weer opnieuw zijn voor brood.
Tot die tijd, geduld.

Advertenties

Bommetje

Langzaam varen we af op het aanlegponton. “Alleen pleziervaart, vissen verboden”. De hengelaar wijkt nog geen millimeter. Hoe dichter we naderen hoe meer stoïcijns de blik op de dobber wordt. Nog maar wat dichterbij, we glijden stapvoets door het water, de voortstuwing uit zijn werk.
Geen reactie.
Dan leggen we maar vlak voor zijn hengel aan.
Het is een lastig dilemma. 6 maanden lang hebben hengelaars, hangjeugd en dorpszwemmers alle vrijheid de lokale pontons te gebruiken voor alles wat op de bordjes verboden wordt. Wat wil je ook. De motorbootjes liggen in hun haven, het kanaal is dicht, de najaars en winterkou legt een kille natte deken over het landschap.
Tot rond ergens halverwege de lente er weer beweging komt. Ineens wordt de rust van de hangjeugd, de hengelaars, de oudjes op hun klapstoel aan de waterkant verstoort door de motorbootvaarders. Veel steigers en pontons zijn er niet; lang niet iedere gemeente investeert in zon aanleg plek voor een boot of 2-3. Steigers die, toegankelijk vanaf de oever, lekker vlak bij uitstek ook geschikt zijn voor alle andere lokale gebruikers.
Voorzichtig zoeken we ons plekje tussen de hengels om ons heen, zoeken we een uiteinde van de steiger zodat we het nachtelijk geluid van de samenkomende jeugd -met muziek en geur van smeulend gras niet te veel verstoren. We passen ons aan, hoezeer de verbodsbordjes ook luiden.
Het vraagt wat tijd voor alle groepen weer wat aan elkaar gewend zijn. Nog even en het wordt zomer, wat is dan mooier dan en “bommetje” vanaf de leuning van de brug, precies zo dat de inslag ons treft midden op de bank waar we zitten in de kuip.
Bommetjes? Wie maakt ze eigenlijk, zij? Of zijn wij het met onze onvoorziene aanwezigheid op een plek waar er maandenlang rust heerste?

(Bijna) Alleen op de wereld

Toegegeven, het is af en toe wat fris. Wat je er voor terugkrijgt?
We verlaten de thuishaven doorgaans vroeg in het voorjaar, dit jaar ook.
Als snel bereiken we de Noord-Franse kanalen. Zeker de doorgaande kanalen richting de grote steden hebben geen goede naam. Houden zo.
In pure rust snellen we door het landelijke Noord Frankrijk zuidwaarts. Af en toe hebben we een vrachtvaarder op tegenkoers. Als we op een ochtend een meeligger treffen haken we aan. 10 sluizen en 50 kilometer verder laten we los. Pleziervaarders ontbreken vrijwel volledig. Afgezien van een motorbootvaarschool, een enkele kersverse eigenaar die z’n nieuwe aanwinst naar huis brengt en een enkele landgenoot komen we alleen een Engelse boot tegen; op de vlucht naar huis “they kicked us out”.
Overal in het landschap benutten agrariërs het droge weer voor hun broodnodige voorjaarswerk. De natuur knapt uit z’n knoppen. Bomen, struiken en planten botten uit in tientallen tinten groen. Jonge vogels -eenden, ganzen, waterhoentjes- duiken her en der op in de rurale jungle.
Laat die slechte naam van de Noord-Franse kanalen maar bestaan; lekker rustig en schiet mooi op bij de sluizen.

Geen moeite

Nimy-Blaton-Péronnes.
Een werelderfgoed valt ten prooi aan de vlammen; Parijs, Frankrijk, nee de hele westerse wereld is in rep en roer. Een van de meest treffende symbolen van Frankrijk, op Marianne en de Eiffeltoren na, gaat reddeloos ten onder. Frankrijk voelt zich geraakt in het hart.
Vanuit de hele republiek, vanuit de hele wereld zelfs stromen de herstelgelden binnen. Talloze vermogenden, particulier en onderneming, zeggen bedragen toe voor herstel. Immers wie brede schouders heeft kan ook breed bijdragen.
Zoals elke nek die wordt uitgestoken worden ook deze nekken in de sociale media al snel mikpunt van kritiek; “had de middelen dan eerder ook al voor sociaal zwakkere vrijgemaakt”. Toegegeven, de criticasters hebben een punt, alleen of dat in dit geval nu zo uit moet worden gemeten?
Straks zit de entree van de vernieuwde kathedraal vol koperen blaadjes met namen van gulle schenkers, zijn een aantal banken voorzien van verwijzingen naar hen dit de snelle herbouw mogelijk hebben gemaakt. 1 miljard; 25 jaar lang 40 miljoen druk op de Franse staatskas. Je moet er niet aan denken dat de weldoeners en masse na alle kritiek bedanken voor de eer.
Ik moet slalommen op het kanaal Nimy-Blaton-Péronnes. Honderden plastic flesjes, plastic zakken en boodschappen tassen van welbekende supermarkt ketens dobberen me te gemoed. Het plastic dat wereldwijd de oceanen vervuild vormt een ingrijpend maatschappelijk probleem. Talloze zoogdieren, vogels en vissen sterven en stikken met grote hoeveelheden plastic in hun maag. Op het Kanaal Nimy-Blaton-Péronnes worstel ik met af en toe met moeite door de plastic soep; er zijn vast nog veel meer van dit soort wateren, vlak voor onze spreekwoordelijke deur.
Als we de brede schouders die het herstel van de Notre Dame aanspreken op hun -mogelijke- eerdere nalatigheid in het aanpakken van andere maatschappelijke vraagstukken, wordt het dan geen tijd om het plastic zwerfafval om ons heen als maatschappelijk probleem op onze eigen schouders te gaan nemen?

Diepgang

We liggen alweer een halve dag voor de wal te wachten. De sluis voor ons heeft het af laten weten, de deur kan niet volledig open. Er zit niets anders op dan geduldig te wachten. In de verte is een duiker in de kolk afgedaald. Even later wordt duidelijk wat er speelt. Druipend hangt een metalen prullenbak –bekend van straten en pleinen- in het kraantje achterop de auto van het sluisbeheer.
Wat vergeten weggestopt tussen Schelde en Deule, ooit bedoeld voor het transport van kolen vanuit de Pas de Calais en het verdedigen van de stad Lille tegen vreemde overheersers kronkelen het Spierekanaal en het Canal de Roubaix. Geld en een toeristisch impuls zetten het kanaal begin deze eeuw weer in de aandacht. Een grootse investering –Europa- maakten de sluizen weer gangbaar, zorgde ervoor dat kanalen werden uitgediept. Jaarlijks passeren in het zomerseizoen zo’n 50 boten. Eigenlijk te weinig er gaan alweer stemmen op het kanaal te sluiten.
Het is feitelijk nauwelijks een uitdaging. Met een kanaaldiepte van 1.80 hebben we met een diepgang van minder dan een meter weinig te vrezen. Zeker in het voorjaar als de planten in het heldere water nog niet aan hun groei begonnen zijn.
Met een blik op de dieptemeter en een blik op de wal kronkelen we ons door het midden van de rivier van sluis naar sluis. Op wat industriële armoede en de onvermijdelijke achtertuin van de grote stad na, is het landschap mooi en kleinschalig.
Een rauwe tik –metaal op metaal- schrikt me op. De diepte meter zegt 1.90. Daar gaat mijn zo zorgvuldig aangebrachte laag verf op de kielbalk. Af en toe gebeurt het, altijd onverwachts, een vuilnisbak, een winkelwagentje, een staalkabel of een oude fiets. Hoe zorgvuldig je ook plant, onverwacht tikje toch regelmatig wat aan; is de gegarandeerde diepgang ineens een stuk minder gegarandeerd.
Werk aan de winkel volgend voorjaar, een nieuw likje verf op de kielbalk. Er zullen er nog wel wat volgen dit jaar.

Groet

Een simpel gebaar; even een hand opsteken, soms nauwelijks meer dan een paar vingers. Een groet van gelijkgestemden, een anonieme blijk van herkenning. Het is als de motorrijders die op een mooie lente dag elkaar tegenkomend even een hand op steken.

Al van ouds her is het een gebaar van verstokte zeilers op het binnenwater; een gemeende groet “plezier verder op!”

Het is nog vroeg in het jaar, de eerste boten zijn nog maar nauwelijks in het water. Achter glas in de kuip van de motorboot  is het in het bleke zonnetje goed toeven. De moterkachel staat zacht bij en houdt het comfortabel. Af en toe passeer ik een medestander, een simpele groet bevestigt onze erkenning van elkaar.

Mijn weg kruist een paar keer de route van fervente zeilers, op weg, nog met de mast plat, van hun winterstek in Brabant naar hun zomerse Zeeuwse thuis. Op weg naar de kraan die hun comfortabele doorvaarhoogte weer op doet veren naar “Staande Mast”.  Ik bewonder ze, weg gedoken bij het roer in hun duffelse jas. Gewoontegetrouw steek ik mijn hand op. Vrijwel alle keren, opvallend genoeg, blijft hun reactie uit.

Zeilers groeten kennelijk geen motorbootvaarders; mijn plaats is meteen weer bepaald.

Kruisje

“Een kruisje op de kaart”; een van de korte verhalen in het boek dat over een aantal maanden in de winkels zal liggen. 100 bijzondere –soms zenuwslopende- momenten op onze wereldreis. Maanden geleden zetten we een kruisje in de agenda; de dag na Pasen, ook een gok.

Het is wat ongewis dat “Kruisjes” zetten. Een sprong in het diepe zonder te weten hoe je landt. Of het nu een koers is naar een gebied waar je hooguit een A4 kopietje hebt van een grove kaart ter grootte van Nederland, of een datum prikken 6 maanden verderop zonder het weerbericht te kennen, het blijft een risico.

Zul je altijd zien, begint de maand met stralend mooi weer –ver boven het gemiddelde voor deze maand- , tegen de tijd dat we los gooien zijn de weersverwachtingen behoorlijk onderkoeld, ver onder de normen en waarden voor de maand.

Voorraden aan boord, onderwaterschip glad, motor een laatste beurt, veel warme truien en bikini’s; check, check, check.

De komende maanden trekken we door Europa. Pendelend tussen het werk thuis en het werk aan boord, gaan we op weg voor veel kilometers –lopen, varen en fietsen-, veel bloggen voor “Motorboot” en veel corrigeren in de laatste versie van het manuscript, veel indrukken voor….

Vliegende vaart …

Het is al weer tien jaar geleden dat ze voor het eerst op het water verschenen; de Flying Bridge op een zeilboot. Nou ja, een kajuitcatamaran. Het ultieme gevoel dat je net als een open jol zeiler moet bukken als de giek overkomt.  Eigenlijk ben ik ze op “betaalbare” boten nauwelijks meer tegengekomen, alleen maar als chartercatamaran in de Pacific en op de Med. Gewoon een kwestie van nog meer mensen, nog meer vierkante meters, nog meer bedden in een boot kunnen proppen.  Ik zie het al voor me, terwijl onder je tijdens het varen het buffet wordt klaar gezet, lekker boven met de wind in je haren wat spelen met je stuurwiel. Of je daar nu lekker met je gennaker mee kunt zeilen weet ik niet, het is in elk geval een geruststelling dat de gedekte tafel onder je gewoon rechtop blijft staan. Ruimte alsof je het dak van je camper gebruikt om te recreëren.

Een paar weken geleden kwam ik in een van de Facebookgroepen een fanatieke discussie tegen over de plussen en minnen van de flying bridge. De voors en tegens vlogen in het rond. Het krachtigste argument, ik zou het niet hebben bedacht, was toch wel dat je als stuurman bijna je nek breekt als je in vliegende vaart bij het aanleggen van de trap af moet sprinten als de bemanning –natuurlijk- het aanleggen weer eens verknalt.

, ik heb altijd gedacht dat aanleggen de taak van de stuurman was; gewoon, netjes voor de wal, zodat de bemanning vanaf het dek rustig en eenvoudig de lijntjes kan doen. Zou wat worden als de captain van een 747 kort na aankomst zich in vliegende vaart langs de vleugel omlaag moet laten glijden om snel de blokken voor de wielen te leggen en daarna de slurf nog te doen.

Dunnetjes

Het gaat volgens mij nog niet goed in de bootjes wereld. De winkel waar ik al jaren kom –zo’n droompaleis op een industriële locatie- is welleswaar in de loop van de tijd in meters gegroeid, maar inmiddels in aanbod en mogelijkheden behoorlijk versmald.

Ooit een scherpe inkoper met een aantrekkelijk prijsvoordeel is het inmiddels allang geen prijsvechter meer, schaalvoordelen bij inkoop worden niet zichtbaar meer naar de klant vertaald. Dankzij de zegeningen van het webwinkelen lukt het doorgaans om voor de meeste artikelen zomaar een meer betaalbaar alternatief te vinden.

Het verbaasde me al een tijdje dat de elektradraden die ik bij hen koop tegenwoordig –ook qua kern- zo dun beginnen te worden. Ik schrijf ze er tweemaal over maar krijg geen enkele reactie terug. Laatst was ik er en nam meteen de proef op de som; helaas, of inderdaad, de draad is net zo dik –qua kern en mantel-  als de dunnere voor de helft van die prijs.

Als ik de verkoper spreek, is hij verbaasd; nog nooit van gehoord.

Maar, vertrouwt hij me toe, als ik hem wijs op het risico van de te dunnere draad bij belasten met een maximaal verantwoord vermogen, je moet ook altijd de draad een maat dikker nemen dan in de installatie instructies staat.

Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Dat wordt wat voortaan op het water; twee reddingvesten over elkaar, de hoosemmer dubbel nemen, in ieder hand een, twee paar bootschoenen of gewoon, twee kompassen boven op het kajuitdak gezet. Zou een geaard stopcontact bij hem thuis met zes draden verbonden zijn?

Goed voor de omzet, alleen qua redenering, wat mij betreft wat aan de magere kant.

Gastvrij

Onze laatste weken in de “3000” kilometer rondreis dit jaar. Zuidoost Groningen, midden september, nazomer. Het is rustig op het water, maar een enkele boot waagt zich nog in de lome wateren van de Veenkoloniën. De doorvaart door de honderden bruggetjes wordt geregeld door middel van ”konvooivaart”; een brug/sluiswachter rijdt het hele kanaal met je mee.

Met linnentasjes vol informatie staat de dienstdoende wachter ons al op te wachten. Hij is zorgzaam. Voorzien van stroom, water en een sleutel voor de douches laat hij ons achter, klaar voor het grote konvooi de volgende dag. We krijgen zijn “06”nummer voor het geval er iets loos is.

De volgende dag, ons afvalzakje wordt door hem nog even afgevoerd, staat hij al weer vroeg klaar om ons te helpen.

2 uur later en enkele tientallen bruggen verder zit zijn taak er al weer op. We worden overgedragen aan de volgende wachters op het traject. Als de laatste sluis ons uitspuugt kunnen we gaan, we zijn de enige. “Vaar maar stevig door, jullie worden om 10.30 bij de volgende brug verderop verwacht”.

De daad bij het woord voegend zetten we er onverantwoord de sokken in. 9-10 kilometer per uur terwijl de roeibootjes “spreekwoordelijk” de kant opstuiven en het riet heeeeeel diep voor ons buigt leggen we het traject af. De boot zuigt zich vast aan de kanaalbodem, wat er ook aan gas bij komt, sneller lukt echt niet.

Onverantwoord! Wetend van de toegestane snelheid in dit kanaal nemen we al snel gas terug. De natuur en de Ommelanden zijn ons toch meer lief dan deze absurde vaaraanwijzing.

Als we om 10.35 –vijf minuten te laat- bij de bedoelde brug aan komen staat de lokale ambtenaar/brug en sluiswachter al voor ons klaar. De brug blijft dicht. Met wilde handgebaren worden we naar de kant gedirigeerd. Driftig op zijn horloge tikkend krijgen we een preek; “te laat, blijf maar liggen tot het volgende konvooi –na het weekend- en anders bel je m’n baas maar.

De baas is kennelijk iets minder streperig en stelt vast dat er toch gewoon gevaren moet worden. Anderhalf uur later liggen we midden in de stad aan het kanaal op onze plek voor het weekend. We hebben geluk, markt en winkels –voor zover nodig- liggen dichtbij.

Een andere ontvangst dan de linnentasjes van gistermiddag. Kennelijk wordt gastvrijheid binnen de Veenkoloniën wat wisselend ingevuld.