Dorst

Meer dan 800 liter sleepten we mee aan boord van ons zeilend kantoor. Liters, in tank en jerrycan, die goed waren voor meer dan 200 motoruren of als er maar genoeg wind was, voor een oceaan breed zeiltraject.

Het is warm, klef warm, als we met onze jerrycans rond sjouwen op de Frans-Belgische grens. De eerste twee weken hebben we een halve tank opgesoupeerd; bijna 500 kilometer zijn we inmiddels, via omwegen, van huis.

Op onze terugtocht een jaar eerder, door de ingewanden van Frankrijk, hadden we het al ontdekt. Even tanken uit de slang zoals je met een auto zo makkelijk doet, is voor een boot een zeldzaamheid.

We slepen aan boord een steekwagentje mee en 76 liter aan geschikte jerrycans. Leeg, want op de Franse binnenwateren is het vervoeren aan boord van diesel in jerrycans niet toegestaan.

Zo vroeg in het jaar is de basisvraag natuurlijk of de diesel aan de “watersport”pomp al voldoende is door gestroomd –dit in verband met verslechtering van de diesel gedurende de winter. Goede vraag; alleen, zover komen we niet eens.

Varend langs Achel –even een omweg om kleinkind nog even te zien- oordelen we het tè vroeg. Wij zijn nog onervaren. 150 kilometer verderop, Namen, is geen diesel beschikbaar; “probeer Dinant!”. In Anseremme; vraag het aan de havenmeester in Fumay, dan laat hij een tankwagen komen!

We nemen de gok maar niet aan lossen het zelf dan maar op. Bij de Franse grens is een tankstation. We sjouwen zelf wel met jerrycans; drie keer heen en weer.

Weer 500 kilometer verder, Parijs ligt al achter ons, begint het spel opnieuw. De tank is halfleeg, we zoeken alvast. Parijs hebben we maar laten zitten. Tijdens de lunchpauze werd er niet gewerkt; we blijven naïef. En nu? We speuren de oevers af naar een “weg”tankstation. Misschien over een dag of wat. Een kilometer sjouwen, drie keer op en neer, met een 70 kilo diesel op een steekwagentje; we blijven er in ieder geval warm bij.

Ons beestje is dorstig; alleen hoe we in haar drankje moeten blijven voorzien is nog een puzzel.

Advertenties

Blokken

Het is bijna of ik weer in de schoolbanken zit; nou ja, op de kajuitbank dan, maar wel met mijn laptop als lessenaar.

Ooit in de zestiger jaren van de vorige eeuw was het talenpracticum de uitvinding van die tijd om de opstormende schooljeugd klaar te stomen voor de vaart der volkeren. Een uurtje in de week –per taal- hadden we de beschikking over dit wonder van vernuft. De docent als DJ die geheel onverwachts de knop om zette en juist mijn gestuntel aan een kritisch native oor bloot stelde. Een uur zonder beurt was weer een uur gewonnen in het leven; althans zo voelde dat in die tijd.

Het is me gelukt de eindstreep te halen, hoewel het geen verbazing zal oogsten dat ik juist in de vakken zonder talen practicum mijn hoogste cijfers wist op te doen. Werkende weg heb ik uiteindelijk in de praktijk mijn maar matig aanwezige talengevoel wat meer handen en voeten gegeven. Waar dit niet lukte, stuurde een bedrijf je nog wel eens naar de “nonnen”; een straffe en strenge meedogenloze aanpak waarbij op bijna devote wijze het talen gevoel werd gedrild.

Eenmaal op reis lukte het beter, in elk geval spreekvaardig, een verantwoord niveau van verstaanbaarheid te creëren. We wisselden het wat af, dan weer Franstalig, de specialiteit van maatje Christien; dan weer Spaans of Portugees, iets meer mijn specialiteit. Soms zelfs in de zeilersgemeenschap een “tolkfunctie” om de Frans, Duits en Engelstalige medezeilers met elkaar te verbinden. Alleen het Indonesisch, Maleisisch en Turks-Arabisch; het is me tot nu toe niet gelukt die talen onder de knie te krijgen.

Tot we weer aan de wal stappen en we voor langere tijd  ons “droge” leven weer oppakken; alles, wellicht met uitzondering van ons Engels, zakt pijlsnel weg. Alsof een ijsje in je handen gewoon wegsmelt in de zon.

Gedwongen even 14 dagen rustig aan te doen, stel ik mijzelf een doel. Ik volg online cursussen, maak lijstjes van vervoegingen, werk vreemde woorden lijsten door. Het zal me toch niet overkomen, over een paar weken weer op weg en niet meer uit mijn woorden komen in vreemd gezelschap of door de marifoon.

Tweemaal per dag open ik mijn eigen “nonnen” instituut en blok bijna dwangmatig om ten minste mijn Frans weer op niveau te brengen. Nog een paar dagen te gaan. Gelukkig is er geen examen aan verbonden; de praktijk zal uitwijzen of mijn vorderingen in het “real life” talenpracticum wel voldoende zijn.

 

Blokje om …

Het voelt als de jongste bediende die meteen na haar rijexamen de Masserati van de baas achteruit een klein steegje in mag parkeren.

Het is zondagmiddag, het zomerseizoen staat voor de deur. Overal om ons heen zijn boten bewoont, zitten eigenaren lekker met hun kopje thee in de zon.

Na een winter op een mooie stek komt binnenkort de oorspronkelijke gebruiker van ons plekje weer terug. We moeten verkassen; 200 meter, vier keer het hoekje om.

Geen probleem zou je zo zeggen, met tientallen jaren zeilervaring, meer dan 40.00 zeemijl in de laatste tien jaar moet dat toch wel lukken.

Ooit waren havens ingericht op het met vernuft van roer en wielwerking; klapje vooruit, roer dwars en weer een klapje achteruit maken van kloeke manoeuvres.  Die tijd is wel voorbij. Sinds de grootschalige omarming van boeg en hekschroef zijn er flink wat steigers bijgebouwd; midden in het manoeuvreerwater wel te verstaan. Inbreien zoals dat in de stedenbouwkundige wereld heet.

Moedig pakken we de opdracht op. Heel voorzichtig varen we stapvoets de box uit. Een paar flinke stoten van de boegschroef, geholpen door wat duwtjes van de hekschroef in de rug, draait ons in no-time 90 graden om; de eerste hoek.

70 meter verder, we naderen stapvoets, zetten we het roer dwars. Een extra dotje gas zet de “kont” mooi om.  25 meter verder, hetzelfde recept; weer twee hoeken gehad.

Her en der om ons heen trekken onze bewegingen aandacht, de eerste mooie dag sinds tijd en meteen al actie; logisch dat hoofden meedraaien in elke bocht.

Stapvoets, in de laagste gasstand naderen we onze nieuwe plek. De vraag blijft natuurlijk hoe we dit slim aanpakken; waar stuur je op aan? hoeveel gas? krijgen we de boeg voldoende om? En vooral, als we dan omgedraaid liggen, ligt de kont dan netjes voor de nieuwe plek.

Iets te hard naar mijn zin lopen we aan op de boot tegenover ons plekje. Een klapje achteruit legt ons wat traag stil. Dan kan het feest met de boeg en de hekschroef weer beginnen. Terwijl voor de kop traag op een meter langs de kont van onze tegenoverligger schuift, ligt achter mijn kont nog twee meter van de achterligger af. Roerdwars en weer een klapje gas, brengt de kont langzaam wat meer recht voor onze eigen plek. Nog wat gepriegel met de boegschroef geeft weer wat meer lucht aan de voorkant, nog steeds een meter afstand, maar nu wel recht voor onze nieuwe plek.

Plopje voor plopje, schuiven we naar achter, nog vier meter, nog drie, nog twee en dan weer hard vooruit. Ondertussen houden we met boeg en hekschroef onze achteruitrij koers netjes haaks.

Net op tijd liggen we stil; onze “nieuwe buren” staan al klaar om de lijntjes aan te pakken. Vijf minuten later liggen we weer vast.

200 meter, vier haakse hoeken, het zweet kan weer worden afgeveegd.

Tja, dan kun je wel aardig zeilen; voor het eerst dit jaar even een motorboot verleggen is toch andere koek. Zeker als vrouw moet je het dubbel zo netjes doen met al die kritische blikken om je heen.  

De dag erop schiet de havenmeester ons aan. “Wie gezegd heeft dat we daar moeten gaan liggen?”  Of we de boot willen verplaatsen; “… volgende week komt de vaste gebruiker van die plaats weer terug”.

Hebben wij weer.

Blond?

Heel voorzichtig gloeit de verlichting feller op. Gedachteloos druk ik de schakelaar wat langer in. Soms voel ik me net een holbewoonster die in één keer probeert vanuit de steentijd in het computertijd wortel te schieten.

Ondanks dat  we er 12 jaar geleden met ons neus boven op hebben gezeten, duurde het zeker een jaar voor we de kneepjes van de technische installaties aan boord wisten te doorgronden. Hele schema’s en plattegronden heb ik getekend om te bevatten wat, waar en hoe op elkaar in kon grijpen.

In tegenstelling tot de vorige keer, 12 jaar geleden, heb ik dit keer een uitgebreid schema van alle elektrische connecties tot mijn beschikking. Toch lost ook dat nog steeds niet ieder raadsel op.

Al bij de eerste kennismaking met de Scalare kom ik een indrukwekkend apparaat tegen dat als “dimmer” in het schema staat vermeld. Langzaam aan – soms erg langzaam- kom ik er achter wat er aan geheimen in de boot schuilt. Alleen die dimmer, het lukt me maar niet daar wat meer licht op te laten schijnen. En het is al zo beperkt.

We vragen het de vorige eigenaren. Misschien weten zij waar de draaiknop van de dimmer is. of eventueel de afstandsbediening. Misschien ligt ie wel extra goed opgeborgen aan boord. Maar helaas, ook zij kunnen ons niet helpen.

Tot ik maanden later nog steeds niet weet hoe ik er mee  verder moet.

Een mooie schakelaar schakelt ze prachtig aan en uit, maar verder, van dimmen geen spoor.

En dan op een dag vergeet ik mijn vinger van de knop te halen. Hel, heel langzaam neemt het licht niveau toe. Verbijsterd over deze noviteit, haal ik mijn vinder nog steeds niet weg. En ziet, het licht niveau neemt net zo gemakkelijk weer af.

Ik schreef het al, soms duurt het even voor ik een zo’n laatste geheim ontsluierd heb.

Dom? Blond?

Gas; ik heb er zin in!

Vandaag effe mijn gas controleren; ik heb er zin in! Het heeft wat weg van de reclame slogan: Vanavond effe alle bijlagen van mijn lijfrente polis doornemen; ik heb er zin in! Je hoort het bijna nooit. Een onder geschoven kindje. Liever gezellig aan een wijntje dan even checken of je gaskeur soms verloopt.

Nog een paar weken en het seizoen breekt weer aan. Breaking news; explosie op een motorboot. Bijna altijd gaat het om gas. De tijd van exploderende benzinetanks ligt, voor wat betreft de kajuitboten, alweer een tijd achter ons. Helaas vaak ook met doden en gewonden en, nauwelijks te vermijden, veel schade; ook bij de buren.

Ons gas-keuringscertificaat loopt af; tijd voor vernieuwing. Nog maagdelijk en lelieblank op dit terrein, leggen we ons oor te luisteren bij de havenmeester. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we, zeilend over de wereldzeeën, ook geen kans zagen ons “gascertificaat”, voor de volgens de voorschriften aangelegde installatie, te vernieuwen. We vervingen jaarlijks gewoon maar alle kwetsbare delen. We zijn dus nog helemaal blank op dit terrein.

We vragen eens rond, bij de havenmeesters, wie er regelmatig gaskeuringen doet op de haven. Verwonderd kijkt hij ons aan. Nee, een naam heeft hij zo niet. Hij zal eens informeren. Iemand die de keuring van de gasinstallatie kan doen; nee dat komt zo vaak niet als vraag bij hem langs.

Wat rondzoekend op internet vinden we wel een paar adressen, ook de havenmeester geeft ons na verloop van tijd een adres. Alleen de prijzen van zo’n nieuw certificaat, da’s niet mis. Hoewel, als je zo kunt voorkomen dat je je boot te vroeg opnieuw moet laten intimmeren en schilderen, dan is  dat ook wel wat waard.

Toch zit het me niet lekker; de stevige prijzen, een havenmeester die zo’n vraag maar weinig krijgt, is die eis van de verzekeraars dan een wassen neus? Is het een fabeltje dat jachthavens belang hechten aan dit stuk veiligheid?

Gelukkig tref ik de volgende dag een firma op de haven die kennelijk een gaskeuring voor iemand verzorgd; valt me weer mee, ik was al bang dat ik de braafste van de klas zou zijn. Toch blijft het apart, zo’n belangrijk thema en zo weinig aanwijzingen dat het serieus wordt aangepakt.

We nemen het risico niet en kunnen een paar dagen later ons nieuwe gascertificaat in de armen sluiten. Nu maar hopen dat onze buren in de havens waar we straks gaan komen diezelfde wijsheid met gas hebben opgebracht. Dat ze vandaag toch ook hun gas laten controleren; dat ze er zin in hebben, dan heb ik het ook.

Captain Irish

De maan is nieuw en net op. Ze stelt nog maar nauwelijks iets voor. De nacht is massief zwart en ondoordringbaar in de tropen. Zo gaat dat op hier in de aanloop van de Indonesische Riau-eilanden; dan is het licht aan en dan van het ene moment op het ander, zie je niets meer om je heen. Mijn wacht loopt al even. Plotseling wordt het schaarse licht van het micro sikkeltje maan ineens volledig weggenomen. Vlak naast me, nauwelijks 150 meter verderop, schuift een massief zwarte wand langs me heen. Mijn adem stokt; geen navigatielicht, geen AIS-signaal, nee niets heeft de komst van dit massief grote schip aangekondigd. Minutenlang is mijn donkere wereld verduisterd. We zitten midden in een piratenregio. Uit angst ontdekt te worden varen ook wij zonder radar en navigatielicht. De risico’s zijn groot. Kennelijk ook voor de grote handelsvaart reden voor een zwijgende en niet op te merken doortocht vannacht.

Af en toe vervallen we in de terugblikmodus; even terug naar de mooie momenten van onze wereldreis. Soms gebeurt er alleen iets wat je confronteert met een heel ander facet van de reis; word je ineens gevangen door angst voor gevaar.

Aangetrokken door het “verhaal” zetten we ons voor de buis. De kaping van de Maersk Alabama in 2009; een bloedstollende thriller rond de kaping van het vrachtschip en de afschuwelijke gijzeling van de kapitein; Captain Irish zoals de hoofdbandiet hem noemt in de film. Terwijl ik kijk word ik steeds meer gevangen. Word ik geconfronteerd met een beeld, een actie, een risico waar ik altijd bang voor ben geweest. Ineens staan al mijn zintuigen op scherp.

In de schaduw van alle zonsondergangen die in de afgelopen jaren met ons mee opvoeren schuilt een onaangenaam gevoel. Wie huis en haard achter zich laat neemt een zeker risico. Risico’s die je zelf beseft, maar helaas maar tot op zekere hoogte kunt beheersen. Het is net of pas in de loop van de reis ook andere risico’s tot me doordringen. Je kunt van alles vooraf incalculeren, technisch en qua gezondheid. Risico’s die onder controle te krijgen zijn, maar hoe doe je dat met ongewenste bezoekers?

Het is een oude discussie in vertrekkers fora; neem je een wapen mee en schiet je ze meteen in de voet? Of leg je je erbij neer dat je tegen een indringer weinig kunt doen, een wapen is daarin niet op z’n plaats. Agressie roept agressie op, zeg maar. We kiezen bewust voor de “non-violence” aanpak; hoewel, een stukje scenario hebben we wel bij de hand –motor op full speed, boeg dwars op de aanvaller en een vuurpijl met het alarm pistool recht op de brandstoftank. Je krijgt maar één kans.

Gespannen varen we de monding van de Gambiarivier uit, de oceaan op, op weg naar de overkant. Precies zuidelijk ligt de Casamance; een gebied met een negatief reisadvies vanwege de veelvuldige overvallen op individuele reizigers. Gezien de beschreven ervaringen van voorgangers houden we ieder vissersbootje dat onze kant op lijkt te komen gespannen tegen het licht. Pas na drie dagen raken we minder gespannen, we zijn boven het Sierra Leone Basin voldoende ver van de kust.

Maanden later, we liggen voor anker in de bocht van een smal kronkelende rivier, net terug van de vredige Albrahoseilanden, liggen we in het Braziliaans Atlantisch kustoerwoud. Tientallen kilometers van de bewoonde wereld dobberen we gankerd eenzaam te midden van de apen en vogels. Het is al laat en stikdonker als we ineens voetstappen horen aan dek. Ik bedenk me geen seconde, storm naar buiten en duw de man die ik aantref, onder de noodkreet “Distância” met een resoluut gebaar terug over de zeerailing. Ik hoop dat hij terugvalt op het bootje waarmee hij gekomen is. Ik geef zijn bootje een grote duw; laat zijn maat, die ik nu pas achterop ontwaar, hem maar verder helpen. De traagstromende rivier neemt hem mee. Het is donker, ik volg hem verder niet. We doen de zwemtrap niet naar beneden.

De ervaring zet een kras; een stuk van mijn onschuld en naïviteit ben ik wel kwijt. Geen moment gaat meer voorbij zonder dat we kleine bootjes die ons hinderlijk lijken, volgen. Bootjes die opduiken op de radar of aan de horizon verschijnen, we slaan ze met kloppend hart gade. Er is pas weer ruimte om adem te halen als het stipje is verdwenen.

Dan die nacht in de Riau-eilanden; die zo nadrukkelijke confrontatie met het piraterijrisico. Als we knopen moeten door hakken over het vervolg van de reis zijn we er snel uit. Terug naar de Middellandse Zee zoeken we het risico niet langer op. Een maand of negen later worden we in Phuket geladen, we liften mee met Sevenstar aan dek van een vrachtvaarder op weg naar de Med. Voor ons geen confrontaties meer met overvalsrisico’s; voorlopig ik heb voldoende angstzweet gehad.

Kijkend naar Captain Irish word ik geraakt. Het is beklemmend om te zien hoe hij gevangen wordt gehouden; hoe meedogenloze piraten beschikten over hem en-nagenoeg- zijn leven. Wat ben ik blij dit nooit te hebben meegemaakt. Nooit meer het risico dat ons beider kinderen huis en haard moeten verkopen om ons tegen beter weten in “vrij te kopen”, of nog erger, ingeritst op Schiphol te mogen afhalen.

 

 

 

Inkopper

Slechte dagen voor mijn nagels. Ik kruip in mijn oude overall door de ingewanden van ons nieuwe bootje. Hoewel het een snoepje is, valt er nog veel te verbeteren. Toen we zelf lieten bouwen zaten we ieder 14 dagen op de werf om de voortgang te inspecteren, beslissingen te nemen en ontwerpaspecten bij te stellen. Met ons neus er bovenop ontging ons maar weinig. Op allerlei manieren hielden we toen al rekening met alles wat ons aan boord kon overkomen gedurende de lange reis.

Nu is het anders; met wat we gekocht hebben, moeten we het doen. Op zich geen probleem, alleen als je wat beter kijkt, is er toch heel wat waarvan je afvraagt wie het ooit zo heeft kunnen bedenken. Natuurlijk is het een inkopper, maar bij het ontwerp is duidelijk geen vrouw aanwezig geweest.

Neem nu onze natte cel. Je zou toch verwachten dat je waar je je opmaakt en je handen wast, er toch tenminste warm en koud stromend water aanwezig moet zijn. Ook lijkt het er op dat douchen, welleswaar met warm water, altijd in de kou bedacht is in het ontwerp. Een kacheluitgang zou wel handig zijn geweest

Zo vind ik op mijn tocht door de binnenste delen op allerlei plaatsten het resultaat van nog veel meer vrouw onvriendelijke keuzes.

Hoewel, op een punt is er typisch wel rekening gehouden met vrouwen aan boord, er is bijna geen plaats waar je makkelijk aan het leidingwerk en de bedrading komt. Alles beter dan dat daar ook nog eens een vrouw aan komt. Ik zal het ermee moeten doen, want zo snel ga ik me niet gewonnen geven, gelakte nagels of niet.

  

Slurry

Opgevouwen en gebogen draai ik de laatste boutjes aan; een belangrijke veiligheidsvoorziening  is vrijwel voltooid. Nooit meer zal het me nog overkomen dat ik me met nauwelijks meer dan een slakkengang moet redden; althans dat hoop ik maar.

Traag als een slak kruipen we het nauwe gaatje in door het rif bij Noumea, Nieuw Caledonie. De stroom lijkt flink tegen te staan. Als we niet uitkijken drijven we nog achteruit. Ik geef nog wat extra gas; en nog eens, en weer. Dan slaat de motor af. Gelukkig, liggen we nog steeds ver weg van de gevaren van het rif. Ik zet het filter om – gelukkig hebben we een omschakelaar dubbelfilter- maar helaas, nauwelijks 10 minuten laten vallen we weer praktisch stil.

Dagen hebben we tegen weer en wind in gebokst, twee dagen zelfs lagen we bij en genoten van een drift van hooguit 6 mijl in een nacht.

Net voor het donker halen we het en kunnen nog precies in de laatste zonnestralen ons anker in de baai van Noumea laten vallen.

Als ik de volgende dag de filters verwissel wordt snel duidelijk wat er zich in de ingewanden van ons brandstof systeem heeft afgespeeld. Roetzwart en vol roest komen de filters los. Hier is duidelijk iets fout gegaan. De afgelopen week hebben we de 800 liter diesel die we in de tanks hebben zo door elkaar geschud dat alle rotzooi van jaren van de bodem is los gekomen en “heerlijk” gemengd is geraakt met onze pas zo kort geleden bij getankte diesel voorraad. Gelukkig heb ik nog nieuwe filters bij me, alleen zo maar aansluiten lijkt niet zo slim. Eerst moet er iets anders gebeuren.

Dagenlang spoelen we de bijna volle tanks, filteren de diesel en gooien het weer terug. Met een klein brandstof pompje, aangesloten op de brandstofleiding van de generator –deze steekt het diepst in de tank- slurpen we alle troep van de bodem, laten dit een nacht bezinken in een van de vele doorzichtige 4-5 liter jerrycans en doen gefilterd de volgende dag het helderste deel weer terug in de tank. Na een week hebben we ongeveer 10 liter slurry van vuil, water en bacteriegroei verzameld. We brengen het naar de wal.

Jaarlijks tap ik tijdens de reis de bodemresten voortaan op deze wijze af. Het zal me niet nog een keer overkomen.

We beloven het elkaar plechtig; nooit meer willen we op deze manier net voor het hol van de leeuw weg sluipen. Het is het eerste dat we aanschaffen voor de nieuwe boot; een dubbele omschakelbare  waterscheider/brandstoffilter.

Natuurlijk willen we nooit meer bijliggen, zullen we nooit meer dagen achtereen in windkracht 8-10 tegen de golven in klauwen, komen we nooit meer tegen donker bij de pas door het rif; maar dit stukje zekerheid, we willen er niet op bezuinigen. Nu alleen de eerste liters slurry nog uit de tank laten lopen; gelukkig heb ik daar inmiddels een handig kraantje voor.

 

All in one

Vol visie heb ik de afgelopen jaren kaarten en vaargidsen verzameld. Helaas wat kortzichtig; alleen de kaarten en boekwerken rondom de oceanen en zeeën maken deel van de collectie uit. Al ver voor het ebook werd uitgevonden stond mijn harde schijf al vol met pdfjes en jpg’s.

Op de oceanen schijnt een oersoep van oude plastic resten rond te drijven; ik heb hem nooit echt gezien. Wel veel oud hout, plastic en soms een dode walvis; en in de tropen natuurlijk dagelijks wel een kokosnoot of honderd. Nee, het belangrijkste wat ronddrijft is een oersoep van oude kilobytes. Rondzeilers zijn gigantische kopieerders. Geen pilot of kaart is veilig voor de “all-in-one”. Wat ondeugend, maar zo zit het oceaan zwerven nu eenmaal in elkaar.

Op de valreep van onze afdaling naar het diepe en ijzige zuiden van Patagonië liggen we naast een Frans stel met een prachtige “Ovni-like”’; een parel door hen samen helemaal opgebouwd. Op een avond leggen we de kaarten op tafel;  althans het scherm. En dan plotseling hebben we de “Atlas Hidrografico de Chile” in de hand; een lijvig boekwerk met meer dan 100 kaarten daterend van ver voor het tijdperk van de GPS, sommige zelfs nog uit de Beagle surveys. Het is even een nachtje doorwerken, maar als onze vrienden de dag erna uitvaren hebben we ze allemaal gefotografeerd.

Op onze tocht naar het noorden, dwars door de Franse ingewanden hebben we snel door dat onze overgeschreven nautische boekwerken net zo goed op de vuilnisbelt kunnen. Niets van die tot wel veertig jaar oude boeken en kaarten is nog langer te gebruiken. Tijd voor een aanvulling.

In tegenstelling tot de oceaanzeilers onderweg, komen wij geen motorbootvaarder tegen met een kopieerapparaat. Als we Port Saint Louis verlaten, koesteren we een nieuwe stapel boekjes en kaarten, origineel en in kleur dit keer.  Met een hand aan het roer en het kaartenboekje in de ander banen we ons een weg langs de flamingo’s en ijsvogeltjes.

Nu, op de drempel van ons motorboot bestaan, ligt een wereld voor ons open. Een andere horizon openbaart zich voor ons. Het is af met het kopiëren, de schijf met meer dan 400 Gb aan kopietjes hebben we spreekwoordelijk gewist. 

We hebben aan boord geen “kaartentafel” meer; een omvangrijke boekenplank vol pilots en gids neemt de plaats hiervan in; onze nieuwe “All in One”. Het is bijna of we ten prooi zijn gevallen aan een nieuw soort geloof

We zijn braaf geworden; dat wel.

 

Thomas

Vol ongeloof kijkt de man ons aan. Hij lijkt er weinig van te geloven. Zeker is dat wat we aanbieden en hij meeneemt, echt is wat het is. Hij betaalt, neemt zijn spullen en verdwijnt. Waarschijnlijk zit ie nu hoofdschuddend in de auto; ongelovige Thomas.

Het weer bij elkaar voegen van ons drijvende huishouden van de afgelopen jaren met ons “pied a terre” maakt dat we veel over houden. Niet alles past nu eenmaal op de nieuwe boot. Ook van de boot en navigatiespullen gaat niet alles mee naar ons nieuwe verblijf; wat moet je uiteindelijk met twee kaartpassers in deze tijd van elektronische kaarten?

Er zit weinig anders op dan er mee de markt op te gaan; de plaats van vraag en aanbod. Dozen vol  hebben we de afgelopen weken al weer in roulatie gebracht, de snelheid zit er vanaf het begin aardig in. Met “ophalen of verzenden” hebben we er een dagtaak aan. Menig ophaler vraagt naar de achtergrond; immers wat is nu mooier dan weten dat je nieuw verworven bezit, altijd bij een “oud oma’tje in de garage heeft gestaan”.

Vol overgave doen we de klant uit de doeken hoe het ons is vergaan; weinig in de garage dus, maar aan oude oma’s geen probleem –twee zelfs.

Niet iedereen slikt het verhaal onmiddellijk –hoewel sommige ook nog de website en de boektitels willen weten. Voorzichtig bereidt de klant de aftocht voor, liever een geloofwaardiger verhaal dan nog veel meer tijd aan deze fantasieën besteden.

Misschien moeten we het anders doen en vertellen dat we ons graag met “wannabee” fetisch hebben willen omringen; doen we het “zo goed als nieuw” en “altijd in de garage gestaan” ook wat meer eer aan.

Twee vrouwen –oma’tjes nog wel- die dat doen waar een echte zeeman alleen van kan dromen, is misschien voor het ego wel erg veel van het goede.