Tagarchief: Frankrijk

Kruisje

“Een kruisje op de kaart”; een van de korte verhalen in het boek dat over een aantal maanden in de winkels zal liggen. 100 bijzondere –soms zenuwslopende- momenten op onze wereldreis. Maanden geleden zetten we een kruisje in de agenda; de dag na Pasen, ook een gok.

Het is wat ongewis dat “Kruisjes” zetten. Een sprong in het diepe zonder te weten hoe je landt. Of het nu een koers is naar een gebied waar je hooguit een A4 kopietje hebt van een grove kaart ter grootte van Nederland, of een datum prikken 6 maanden verderop zonder het weerbericht te kennen, het blijft een risico.

Zul je altijd zien, begint de maand met stralend mooi weer –ver boven het gemiddelde voor deze maand- , tegen de tijd dat we los gooien zijn de weersverwachtingen behoorlijk onderkoeld, ver onder de normen en waarden voor de maand.

Voorraden aan boord, onderwaterschip glad, motor een laatste beurt, veel warme truien en bikini’s; check, check, check.

De komende maanden trekken we door Europa. Pendelend tussen het werk thuis en het werk aan boord, gaan we op weg voor veel kilometers –lopen, varen en fietsen-, veel bloggen voor “Motorboot” en veel corrigeren in de laatste versie van het manuscript, veel indrukken voor….

Advertenties

Kun je even …

Voor me ligt een bebaarde oudere stuurman in de sluis. We hebben er de komende dagen nog een flink aantal te doen; stevige sluizen met een verval van soms meer dan 3 meter, hoewel kort 38,50 meter, nog altijd zo’n 583 kuub water, 2500 ligbaden per keer.

Bijna 190 sluizen telt het kanaal dat we varen. De sluismeester stelt het op prijs als u mee helpt bij het schutten; althans volgens de gids. Rondom het schutten heb ik toch niets omhanden, dus een beetje lichaamsbeweging kan geen kwaad. Even helpen een deur dicht of open te doen, de schuiven in de deur te bedienen terwijl de sluismeester de tegenoverliggende deur bedient, is dan een kleine moeite. Gestoken in een fluorroze shirtje ontgaat de stuurman voor me in de sluis mijn bijdrage in elk geval niet; het oog wil toch ook wat.

Eenmaal aangelegd doe ik alvast de deur dicht aan mijn kant van de sluis. De sluismeester laat nog op zich wachten. Deze zaterdag is hij verantwoordelijk voor een aantal sluizen achter elkaar en hij is waarschijnlijk nog bezig op een andere sluis.

De stuurman wordt ongeduldig en drukt af en toe op de toeter. Ik laat hem maar en wacht geduldig af.

Plots, als ik even mijn hoofd naar buiten steek, spreekt de hij mij aan. Kun je ook de andere sluisdeur dicht doen en beginnen met schutten?

Hij is verbaasd als ik zijn verzoek naast me neerleg. Helpen is toch iets anders dan de verantwoordelijkheid nemen voor die 2500 ligbaden waterval. Apart volk toch af en toe, die oudere bootjes mensen. 

Ketelbinkie

“Toen wij uit Rotterdam vertrokken, met de Edam een oude schuit, met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in ’t vooruit…” Een oud zeemansliedje, nog altijd populair voor Shantykoren. Bijna was het bewaarheid.

Het is nog vroeg in het seizoen. Op allerlei plaatsen waar we aankomen zijn we de eerste van het jaar, zit de wateraansluiting nog dik –vorstbestendig- ingepakt, is de elektra nog niet aangesloten. Een geluk bij dit al, de vuilnisbakken zijn nog leeg; hoewel af en toe is zelfs de regelmatige vuilophaal nog niet opgestart.

Aan de hand van de Franse binnenwatergidsjes plannen we onze dagelijkse stop. Dan weer aan wat bolders langs een loswal; dan weer aan een ponton met elektra zodat we warmwater hebben voor de douche. Zo ook de aankomst in Meaux.

Een van de “hoogtepunten” in onze wereldreis was toch wel het verblijf in Puteri Harbour, Maleisië. Warm, klammig, vuil en vol… Op een avond ziet Christien iets lopen door de keuken. Ik ben al in slaap gesukkeld. Tegen de tijd dat ik weer bij mijn positieven ben zie ik niets. Verbeelding? Nauwelijks ben ik weer weg gedommeld of het feest herhaald zich. Weer helder zie ik … niets.

De avond erop het zelfde spelletje. Christien hoort geknaag. Als we de volgende ochtend buiten komen blijkt er een mooi rond gat geknaagd te zijn in ons teakblokkenrooster op de vloer. Iemand heeft zich kennelijk ontfermd over een “gevallen” pinda.

De dagen erna vang ik tot twee keer toe een rat die ik –de eerste keer- woedend over bord zet; hij zwemt kwispelend met zijn staart gewoon weg. Tijd voor meer aktie, de volgende twee ratten vang ik in een kooi. Aan de havenboys vraag ik, naief, ze buiten het terrein weer los te laten.

Pas als we een paar dagen later vertrekken is ons rattenprobleem opgelost.

Langzaam varen we de snelstromende Marne af in de richting van de nog lege pontons van de Halte Fluvial in Meaux. Het is geen sinicure dwarsstrooms aan te leggen. Helaas blijkt de elektra nog niet aangesloten; uit de waterkraan drupt geen drop. Overal zitten rood/witte afbakenlinten. Een briefje vermeld dat de haven gesloten is; om technische redenen.

Net als we besluiten maar te blijven liggen -zonder voorzieningen- ziet Christien iets lopen; glad, bruin en van onaangenaam formaat.

Oh, nee! Niet weer een herhaling van Puteri Harbour. In no-time liggen we weer los. Snel door naar de volgende stop, 2 uur verderop. Voor ons geen “rattennesten” in het vooruit.

Dorst

Meer dan 800 liter sleepten we mee aan boord van ons zeilend kantoor. Liters, in tank en jerrycan, die goed waren voor meer dan 200 motoruren of als er maar genoeg wind was, voor een oceaan breed zeiltraject.

Het is warm, klef warm, als we met onze jerrycans rond sjouwen op de Frans-Belgische grens. De eerste twee weken hebben we een halve tank opgesoupeerd; bijna 500 kilometer zijn we inmiddels, via omwegen, van huis.

Op onze terugtocht een jaar eerder, door de ingewanden van Frankrijk, hadden we het al ontdekt. Even tanken uit de slang zoals je met een auto zo makkelijk doet, is voor een boot een zeldzaamheid.

We slepen aan boord een steekwagentje mee en 76 liter aan geschikte jerrycans. Leeg, want op de Franse binnenwateren is het vervoeren aan boord van diesel in jerrycans niet toegestaan.

Zo vroeg in het jaar is de basisvraag natuurlijk of de diesel aan de “watersport”pomp al voldoende is door gestroomd –dit in verband met verslechtering van de diesel gedurende de winter. Goede vraag; alleen, zover komen we niet eens.

Varend langs Achel –even een omweg om kleinkind nog even te zien- oordelen we het tè vroeg. Wij zijn nog onervaren. 150 kilometer verderop, Namen, is geen diesel beschikbaar; “probeer Dinant!”. In Anseremme; vraag het aan de havenmeester in Fumay, dan laat hij een tankwagen komen!

We nemen de gok maar niet aan lossen het zelf dan maar op. Bij de Franse grens is een tankstation. We sjouwen zelf wel met jerrycans; drie keer heen en weer.

Weer 500 kilometer verder, Parijs ligt al achter ons, begint het spel opnieuw. De tank is halfleeg, we zoeken alvast. Parijs hebben we maar laten zitten. Tijdens de lunchpauze werd er niet gewerkt; we blijven naïef. En nu? We speuren de oevers af naar een “weg”tankstation. Misschien over een dag of wat. Een kilometer sjouwen, drie keer op en neer, met een 70 kilo diesel op een steekwagentje; we blijven er in ieder geval warm bij.

Ons beestje is dorstig; alleen hoe we in haar drankje moeten blijven voorzien is nog een puzzel.

Vlinders

Wij zijn verliefd! Vlinders dartelen over en door ons heen. Een oer-oud gevoel heeft zich meester gemaakt van ons. Wij zijn verliefd!, ook dat nog!

Om alle verwachtingen te temperen; nee, niet op elkaar, althans niet meer –of minder- dan onze meer dan 35 jarige relatie oproept, en ook niet op een van de vele onooglijke straatpuppie’s die we op onze wereldreis tegenkwamen en waarvan we er zoveel bij anderen hebben zien promoveren tot scheepshond en kleinkind-vervangende-knuffel.

Tijdens onze trip door Frankrijk, oorspronkelijk vooral ingegeven door de gedachte de bocht af te snijden, is het gebeurd. Wat eerst begon als een door doelmatigheid ingegeven route -om door middel van een dagelijks te maken aantal zeemijlen binnendoor op een vooraf overeengekomen moment aan de verkoopsteiger te komen- veranderde stap voor stap, van dag naar dag, in iets wat gewoon leuk was. Een reis die steeds meer verschoof van een delivery in een waardige afscheidstrip; geen uitvaartstoet maar een droomwandeling naar het altaar voor het “weggeven” van je kind –afscheid van een levensfase, op weg naar een nieuwe toekomst.

Meer dan vijfendertig jaar hebben we het volgehouden, om over de daarvoor liggende jaren met jolletjes en BM’s nog maar te zwijgen, motorbootvaarders zijn stom, sloom, kunnen niet varen, etc..

En dan opeens, of eigenlijk niet opeens, maar heel sluipend, groeit het begrip, ze zijn aardig, hebben gevoel voor onthaasting, komen nog eens ergens etc.. Heel langzaam groeien we in een nieuw profiel, terwijl we het varen, de natuur, de ambiance steeds leuker gaan vinden, dringt het tot ons door; we zijn om!

Langzamerhand krijgt onze toekomst gestalte, wordt duidelijk hoe we verder willen na verkoop van de Rhythm of Life; een sloep of een vlet, een knusse kajuit, een kuip die open en sportief is en vooral stabiel. Nooit meer –nou ja, bijna nooit meer- willen we de kopjes vast moeten houden, voortaan moet de Nespresso gewoon op het aanrecht kunnen blijven staan.

Internettend speuren we de markt af –alvast wat oriëntatie voor het geval de verkoop plotseling loopt- en vergelijken types en modellen, doorgaans gebaseerd op de motorboten die die dag ons pad hebben gekruist.

Nauwelijks vast aan de verkoopsteiger voltrekt ons droomscenario zich dan echt. Nog net voor de definitieve contracten worden getekend, treffen we ineens een “dame” naast ons, iets te klein maar mooi… Ze blijkt ook nog wat zusters te hebben, nog kleiner, maar vooral ook groter, meer onze gedroomde maat.

Een week daarop, de handtekening is gezet, treffen we in het elektronische web zo’n zuster, groter, jonger en vooral nog kittiger. Even later hebben we een date.

We daten wat af de weken daarna –het afscheid valt steeds weer zwaar-  tot we na betaling van een luttele som geen afscheid meer hoeven te nemen. Ze is van ons..

..en we noemen haar “Scalare”,  “kostbare wenteltrap”, een wat eufemistische benaming die slechts ten dele de lading dekt.

Droom

Ruim zeven jaar geleden vertrokken we op eigen kiel voor een “Rondje Zeilen”. Alles achter ons achterlatend, een stap die maar weinigen durven te zetten.
Een reis die ons, mede door onze geringe diepgang, bracht in de mooiste baaien, rivierarmen en lagunes van Europa, West-Afrika, Zuid-Amerika, Oceanië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Oost Azie. Een droom van jaren kwam uit.
Eenmaal terug in Europa, het “Rondje” bijna voltooid, breekt het bewustzijn door dat de droom bijna aan haar eind komt. We zetten de boot te koop. Een ding restte er nog voor een succesvoller kans op de markt; de boot moet nog wel terug naar Nederland.
Wie het bedacht heeft? Welke vrouwelijke intuïtie de leidraad vormde? Het doet er niet toe. We kozen er voor de weg naar huis af te snijden. De laatste etappe voert ons dwars door het continent. Een mooie gelegenheid alvast aan het landleven te wennen.
Een droom binnen de droom. Mooier kun je de afronding van je droom niet voorstellen. Zeven weken lang drijven we stroomopwaarts over de Rhône, Saône en door de Vogezen, om met een zwierige bocht ons op de Maas verder mee te laten voeren. De laatste nacht brengen we door in de Biesbosch, daar waar het ruim zeven jaar eerder begon.
14 dagen werken we keihard om de boot op en top aan de makelaar te presenteren; hij is wat sceptisch, niet alle wereld omzeilers komen geheel ongeschonden terug in het vaderlands nest. Hij is aangenaam verrast, we hebben haar duidelijk die jaren goed in de watten gelegd.
De volgende ochtend stapt hij aan boord met de eerste belangstellende, de dagen erna staan er nog een aantal op de rol.
Nog voor de tweede koffie rinkelt –nou ja, zoemt- de telefoon al.
Een goed bod. Wat wil een mens nog meer. Iets meer dan twee weken later vaart onze dame het zeegat al weer uit.
We laten een traan; zo’n mooie droom, zo’n mooie afronding en dan nog zo’n afscheid.
Wat wil een mens nog meer?

Relatie therapie

De vraag wordt gniffelend gesteld, “40.000 zeemijl en nog steeds samen?” Het antwoord, “eenvoudig toch, je ziet elkaar nauwelijks, er houdt er altijd maar een op wacht”, is net zo flauw.

250 sluizen – de meeste nauwelijks 5 meter breed- en meer dan 1500 kilometer –grotendeels zo smal dat je alleen op wandelsnelheid kunt varen- scheiden ons van “thuis”.

Stapvoets varen we de sluisbak in, om vijf minuten later, met 600 kuub water meer in de bak er weer stap voor stap uit te gaan. Een doodsprong naar een laddertje, een sprint naar de drie meter hoger gelegen bolders maakt dat we weer veilig 3 meter hoger (of lager) onze tocht kunnen voortzetten.
Na een paar keer zijn we ingespeeld, doorlopen we het proces zonder een woord extra.

40.000 mijl, maar vooral 250 sluizen met aan weerszijden 30 cm speling; eigenlijk is het net relatietherapie.

Alarmfase

Hoe noordelijker we op de Saone komen, hoe meer we het gevoel krijgen deel uit te maken van het strijdtoneel.

Alertheid is geboden, hand aan het roer, steeds gereed om in de grijpen. Verscholen in het groen om me heen de kampementen, tenten in schutkleur, mannen gecamoufleerd, zelfs hun bootjes tint donkergroen. Op de wal roken nog de kampvuurtjes, jachtgerij in stelling gebracht, tot wel 10 hengels breed. Soms kom ik te dichtbij en begint de hele batterij te rinkelen. Elektronisch gestuurd veren alle hengels terug.

Het is weekend, de Franse man, het jagersinstinct nog scherp, zit met z’n maten op de wal, een paar dagen vissen. De verantwoordelijkheid voldoende buit bijeen te jagen wordt collectief gevoeld. Dit is een wereld van echte mannen, geen vrouw is terug te vinden langs de waterkant. Hun taak ligt elders, hoewel, misschien hebben ze gewoon een hekel aan vissen.

Slingerend zoek ik me een weg rivieropwaarts, steeds opnieuw het hengelspul ontwijkend. Nog een dag dan is het jachtseizoen weer voor een paar dagen voorbij, kan het speuren naar gecamoufleerde mannen ook weer even naar de achtergrond.

Lorelei

Jaren geleden, ergens in het eilandenrijk tussen Helsinki en Stockholm, vervielen we ineens in de rol van Lorelei. De beminnelijke schone die schippers zo kon afleiden dat hun boten te pletter sloegen op de rots aan haar voeten.

Terwijl we liggen, roer op/zwaard omhoog, op nauwelijks 80 centimeter water, vlak onder de oever van een vrijwel verlaten Fins eilandje, komt tot twee keer toe een zeiljacht naar onze steiger. Terwijl de schipper vol oog is voor onze mooie plek onder de wal, verliest hij even de diepemeter uit het oog. Een doffe dreun, klapperende verstaging en een bleek uitgeslagen schippersvrouw is het gevolg. Met 1.50 of 1.80 diepgang kun je nu eenmaal niet zo dicht aan de oever van zo’n Fins “Bounty”eiland komen.

Terwijl we ons de Rhône opzwoegen lopen we steeds meer tegen de verzanding van havens aan. Als we bij Valence de bocht iets te nauw nemen tikken wij ook even tegen die zandbank. Heel langzaam dwingen modder en zand je snelheid eruit. Het recept is simpel, gewoon het zwaard iets omhoog pompen, vijf minuten later liggen we voor de wal. Een prachtplek, op de kop van de eerste steiger –met zoveel verondieping heeft verder de haven invaren weinig zin. De mistral houdt ons een paar dagen vast. Het is regelmatig prijs. Mede zeiltrekkers zien ons liggen, denken dat het met die diepgang wel goed zit en lopen genadeloos vast.

Met veel wringen en duwen worden de meesten naar binnen gesleept –hoe komen die hier ooit nog weg?- of kiezen met veel trekhulp achterwaarts het hazenpad.

Lorelei, de vrouw die zoveel harten in beroering bracht, gelukkig kan je van ons zo iets niet zeggen, twee vrouwen ten spijt verleiden wij ze in elk geval niet tot de ondergang.

Het heeft z’n voordeel, zo’n ophaalbaar roer en zwaard.

Parkeren

Het doet het goed in reclamefilms over wereldsteden havens, de schier eindeloze parkeerterreinen vol nieuwe Aziatische auto’s of met een kleurenscala aan containers. Wij komen regelmatig de mediterrane variant ervan tegen.

In tegenstelling tot de jachthavens in ons Nederlands plassengebied, zijn de haven rond de Middellandse Zee bepaald niet meer alleen in gebruik voor dagtochtjes of weekendjes weg. Maandenlang liggen de witte droompaleizen, met mast of zonnedek, zich alleen te vermaken, wachtend op terugkeer van de eigenaars.

Wat is mooier dan deze rusttijd niet in het water door te brengen, scheelt aangroei en de jaarlijkse schilderbeurt. Meteen na onze ontscheping in Marmaris/Turkije worden we er al mee geconfronteerd. De eindeloze terreinen vol opgeborgen jachten, ver van de bewoonde wereld met maar een doel, een botenpakhuis.

Maanden later als we in Port Saint Louis de Middellandse zee achter ons laten, zijn we er inmiddels aangewend. Duizenden boten, keurig op rij gezet, strakke rijroutes voor de portaal kraan ertussen door. Terreinen, keurig met aanwijsbordjes die naar de velden verwijzen. Het doet wat denken aan het parkeren op Schiphol “L6, Grazende Koe, C4/15” of zo iets.